Archief

Berichten getagged ‘Bijbel; Bijbelstudie’

Heel eenvoudig (waarom zo moeilijk doen?)

15/09/2009 verderkijker 1 comment

 

Door: C.R. Stam

 

Als%20Kind%20schuilen%20in%20de%20grote%20Hand%20van%20God[1]

Heeft u ooit een predikant het volgende horen zeggen: "Er zijn vele dingen in de Bijbel die moeilijk te begrijpen zijn, maar, dank God dat het verlossingsplan heel eenvoudig is " Het IS eenvoudig ALS…………..

Voor de rest zult u dit artikel moeten lezen…

Ja, het verlossingsplan IS eenvoudig ALS de Bijbel recht gesneden wordt, anders is het verre van eenvoudig. Er rust een grote verantwoordelijkheid op degenen die in de dienst van de Here staan om II Timotheüs 2:15 te gehoorzamen: "Benaarstig u, om uzelf Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt".

Laten wij dit toelichten: In het centrum van een grote stad staat een man, die overtuigd is van zijn zonde. Hij voelt zich ellendig nu hij uiteindelijk zichzelf ziet, zoals hij in werkelijkheid is, een schuldige, veroordeelde zondaar.

Terwijl hij daar staat te peinzen komt een meneer aanlopen. Op zijn jas draagt hij een speld waarop staat "Jezus redt". Na het lezen van die tekst, denkt onze ongeredde vriend: "Hier is de man, die ik zoek", en als hij wat dichterbij komt zegt hij: "Kunt u mij misschien helpen? Ik zit in moeilijkheden. Wat moet ik doen om behouden te worden?" "Wat ben ik blij dat u mij dat vraagt," roept de meneer uit: "Er zijn sommige dingen in de Bijbel die moeilijk te begrijpen zijn, maar, dankt God, het verlossingsplan is heel eenvoudig."

Kijk in mijn Nieuwe Testament naar Handelingen 16:30,31. Toen de gevangenbewaarder van Filippi dezelfde vraag stelde, antwoordde Paulus: "….Geloof in de Here Jezus en gij zult zalig worden…" Is dat niet eenvoudig? U hoeft niet meer te doen. Geloof in de Here Jezus Christus en u bent behouden. Hier zijn nog een aantal verzen die over behoudenis spreken: Johannes 3:36: "Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem." Romeinen 4:5: "Doch hem, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. "Efeze 2:8,9: "Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme."

Terwijl die meneer het eenvoudige verlossingsplan aan onze vriend laat zien, luistert ook een Rooms-Katholieke gelovige naar zijn uitleg. Uiteindelijk kan hij zich niet meer inhouden. Hij keert zich tot de meneer en zegt: "Neemt u mij niet kwalijk, dat ik u in de rede val, maar u brengt deze man op een dwaalspoor. Weet u niet dat Jakobus 2;20 zegt : …het geloof is zonder de werken dood? En ik daag u uit om Jakobus 2:24 aan deze man voor te lezen".

Meneer "getrouwe Bijbelgelovige" leest het vers voor: "Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleen uit het geloof?". "Kan er iets duidelijker zijn dan dat"? vraagt de Rooms-Katholieke gelovige; en hij begint alle werken die hij nodig acht voor verlossing op te noemen.

Op dat moment mengt een andere Bijbelgelovige zich in het gesprek en zegt: "Ik heb naar jullie geluisterd heren, en als jullie het mij niet kwalijk nemen, meen ik dat meneer "Genade gelovige" de verlossing te gemakkelijk maakt, terwijl onze Katholieke vriend het te moeilijk maakt.

Het is niet moeilijk om vast te stellen wat vereist wordt voor behoudenis, want de Here Zelf heeft het heel duidelijk gemaakt, toen Hij zijn apostelen opdracht gaf om het evangelie te verkondigen. In Markus 16:15,16 staat het heel eenvoudig:

"En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie allen kreaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden"

Is dit niet duidelijk? Als deze verzen iets betekenen, dan zullen degenen die geloven en gedoopt worden (en alleen deze) behouden zijn. En let eens op hoe nauwkeurig Petrus deze opdracht uitvoerde op het Pinkster feest. Toen zijn toehoorders overtuigd waren van hun schuld en hem vroegen wat zij moesten doen om behouden te worden, wat antwoordde hij hen? Handelingen 2:38: "En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen."

Het lijkt mij dat iemand die de waarheid werkelijk wil weten, dat moet zien, het is zo eenvoudig!

Maar nu stapt iemand van de Pinksterbeweging in de kring, en barst uit: "Waarom heeft u de volgende verzen in Markus niet voorgelezen, mijnheer? Waarom hield u midden in dit gedeelte op? Het is ook duidelijk, maar u wilt het niet aanvaarden. Zie wat het hier zegt: "En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: In Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken. Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden".

Is dit niet duidelijk? Daarom bent u volgens dezelfde "Grote Opdracht" geen echte gelovige, als u de buitengewone krachten niet bezit. U kunt de betekenis niet veranderen want het zegt duidelijk: "En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen…." "Niemand van jullie kan ontkennen dat onder de "Grote Opdracht" welke bijna alle christenen beweren te volgen, het geloof en de waterdoop de vereisten voor behoudenis zijn, en de wondertekenen de bewijzen van de behoudenis".

Er mengt zich nog iemand in het gesprek, zeggende: "Hebben jullie mannen, niet allemaal iets vergeten"? "Wat?" vroegen zij allen. "Jullie zijn klaarblijkelijk vergeten dat er een Oud Testament in de Bijbel is. Het Oude Testament is driemaal groter dan het Nieuwe Testament". De spreker is een Zevendedagsadventist en hij vervolgt met klem: "Kennen jullie de termen van Gods heilige wet niet? Laten wij Exodus 19:5 opslaan en zien wat daar staat: "Nu dan, indien gij naarstig Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is van Mij;"

Met de ene Bijbeltekst na de andere tracht de Zevendedagsadventist te bewijzen dat het onderhouden van de tien geboden essentieel is voor acceptatie door God. Hij legt vooral de nadruk op het feit dat het houden van de sabbat eigenlijk het teken is van verwantschap aan God. Om dit te bewijzen citeert hij:"Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: gij zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen u, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de Heere ben, Die u heilig."

"Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israëls een teken in eeuwigheid zijn; omdat de Heere, in zes dagen, de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag gerust en Zich verkwikt heeft." (Exodus 31:13,17)

Arme, niet behouden man! Dit alles was het gevolg van zijn eenvoudige vraag: "Wat moet ik doen om behouden te worden?" Het plan van meneer "genade gelovige" scheen zo eenvoudig, totdat de anderen hem, en elkander, begonnen uit te dagen. En vreemd genoeg, schenen de anderen te denken dat hun eigen zienswijze ook "zo eenvoudig" was!

Wat moet onze arme niet behouden vriend hier van denken, als hij daar schuldig en veroordeeld staat? De weg naar de vrede schijnt hem nu alles behalve eenvoudig. Men kan beter niet zeggen dat het plan van behoudenis eenvoudig is, als het Woord der waarheid niet rechtgesneden wordt.

Niemand, die beweert onder de "grote zendingsopdracht" te werken, kan zeggen dat het eenvoudig is. Niemand, die leert dat Pinksteren het begin van het lichaam van Christus, de gemeente van deze tijd is, kan zeggen dat het eenvoudig is. Niemand, die de gescheiden bediening van de apostel Paulus ontkent, kan zeggen dat het eenvoudig is.

De manier van behoudenis voor zondaren in deze tijd, kan alleen eenvoudig zijn wanneer wij onze plaats in de geschiedenis erkennen en toegeven dat God aan Paulus, door bijzondere openbaring, Zijn boodschap voor de wereld van VANDAAG en Zijn programma voor de Gemeente van VANDAAG bekend maakte.

Het moet de nauwkeurige student van de Schrift toch opvallen dat, nadat onze Here de "grote zendingsopdracht" aan Zijn apostelen had gegeven, een andere apostel, Paulus durft te zeggen: "Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk;" Romeinen 11:13.

Koos God Paulus uit omdat de twaalf discipelen ontrouw waren in de uitvoering van de "grote opdracht"?

Helemaal niet. Het was de verwerping van de Koninkrijksboodschap door Israël en Gods oneindige genade aan een verloren wereld, die de bekering en bediening van Paulus teweegbrachten.

Lees de woorden van Paulus aan de Joden te Antiochië in Pisidië enkele jaren later: "Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch aangezien gij het verstoot, en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen." Handelingen 13:46

Wij behoeven slechts Galaten 2 te lezen om te leren dat door de wil van God, en onder leiding van de Heilige Geest, de leiders van de twaalf discipelen uiteindelijk hun bediening onder de heidenen overdroegen aan Paulus, die tot de heidenen ging met een andere boodschap – "het evangelie dat ik onder de heidenen verkondig," "het evangelie van de genade Gods". (Lees Galaten 2:1-10 aandachtig).

Wij moeten niet vergeten dat toen Israël de verheerlijkte Koning en Zijn Koninkrijk verwierp, de laatste en enige natie die nog in relatie met God was, van Hem werd vervreemd. Gods zegenkanaal voor de naties werd als het ware verstopt". (Genesis 22:17,18) "Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest;" Romeinen 5:20.

In deze crisis maakte God "Zijn eeuwig voornemen bekend." Hij koos Paulus uit om het heerlijke nieuws te verkondigen. In antwoord op de opstand van Israël, zou Hij genade uitdelen aan een wereld van verloren zondaars.

Verlossing tot de heidenen door de val van Israël! Wat een genade! De begunstigde natie opzij gezet, opdat individuen overal vrede met God konden vinden door het bloed van het kruis. Lees wat Paulus schrijft aan de heidenen in Romeinen 11:30-33: "Want gelijk ook gij eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door de ongehoorzaamheid van dezen, Alzo zijn ook dezen ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid barmhartigheid zouden verkrijgen. Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen barmhartig zou zijn. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!"

God ontfermt Zich nu over allen, en verzoent zowel Joden als heidenen met Zichzelf in EEN LICHAAM door het kruis. (Efeze 2:16).

De zaligheid is tot de heidenen gekomen, nu niet door bemiddeling van Israël, maar door Israëls hardnekkigheid – niet in overeenstemming met enig verbond, maar door genade, – niet door de bediening van de twaalf, die de regeerders van Israël waren (en zullen zijn) (Mattheüs 19:28) maar door de bediening van Paulus, de rebel die "ontferming verkreeg".

En zo komt het dat in het elfde hoofdstuk van Romeinen, Paulus de nadruk legt op zijn opdracht als apostel tot de heidenen. Lees het opnieuw, en onthoud dat het niet zomaar het woord van Paulus is. Het is Gods Woord door Paulus geschreven: "Want ik spreek tot u, heidenen: Voor zover ik de apostel der heidenen ben, ik maak mijn bediening heerlijk;" (Romeinen 11:13).

Als dit vers de lezer niet bevredigd wat betreft de kenmerkende bediening van Paulus tot de heidenen, en zijn door God gegeven autoriteit als de apostel van genade, zal zeker niets meer nodig zijn dan de eerste verzen van Efeze 3:

"Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen zijt. Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid (gelijk ik met weinige woorden tevoren geschreven heb,"

Deze zaak is zo belangrijk, dat zelfs voordat het vonnis over Israël uitgesproken was, en de hoop op een Koninkrijk volledig vervlogen was, Paulus nadrukkelijk een vloek uitsprak over een ieder, die iets anders dan het evangelie van de genade Gods aan de heidenen durfde te verkondigen.

"Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel, u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Gelijk wij tevoren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu weer: Indien u iemand een Evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt." (Galaten 1:8,9)

Ieder oprecht kind van God zou door deze woorden moeten beven en ervoor moeten zorgen dat zijn boodschap in overeenstemming is met datgene wat de Here der heerlijkheid, van Zijn troon in de hemel, aan Paulus openbaarde.

Als men dit ziet is het plan van de behoudenis eenvoudig.

Verkondigt Paulus ooit verlossing door werken? Beveelt hij ooit het houden van de Sabbat, de besnijdenis, of waterdoop? Niet één keer. Het is wel zo, dat hij dit gedurende zijn vroege bediening uitoefende. Paulus leefde in een overgangsperiode. Hij werd behouden onder de Joodse periode, maar werd geroepen om een nieuwe bedeling in te leiden – de bedeling der genade Gods.

En let wel, Paulus was geroepen om "het geheimenis van het evangelie bekend te maken" (Efeze 6:19). Toen de gehele mensheid haar volslagen zondige toestand had getoond, verloste God Saulus van Tarsus, en maakte door hem de rijkdom van Zijn genade bekend – om te laten zien hoe mensen ooit waren geweest! Nu werd geopenbaard dat nooit door het bloed van dieren, waterdoop, of enig andere ceremonie de heiligen van vroegere eeuwen waren verlost (alhoewel deze onder de wet waren vereist) maar door de oneindige genade van een liefdevol God.

Lees de woorden van Paulus aan de Romeinen: Romeinen 3:21-28:"Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:

Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods; En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; Die God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die tevoren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in deze tegenwoordigen tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is. Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Der werken? Neen, maar door de wet des geloofs. Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet."

Als men dit ziet is het plan subliem in zijn eenvoud. Vandaag zijn er GEEN werken voor verlossing vereist. Verlossing wordt inderdaad aangeboden aan degenen die het werken voor verlossing staken, want God wil dat de mens zowel zijn volkomen verdorvenheid als Gods oneindige genade ziet en erkent."Doch hem, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid." (Romeinen 4;5)

"Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus;" (Romeinen 5:1)

"Maar wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest;" (Titus 3:4,5)

"Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat daarin zouden wandelen." (Efeze 2:8-10)

"Tot prijs der heerlijkheid van Zijn genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde; In Wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade," (Efeze 1:6,7).

"Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;" (Kolossensen 2:9,10)

Zon sta stil….

 

jozua_amorieten[1]

Jozua 10:12 Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht der kinderen Israels overgaf, en zeide voor de ogen der Israelieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon!
13 En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten? De zon nu stond stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.
14 En er was geen dag aan dezen gelijk, voor hem noch na hem, dat de HEERE de stem eens mans alzo verhoorde; want de HEERE streed voor Israel.

 
Blijkbaar is het zo, dat het stilstaan van de zon en de maan hier een hoge uitzondering is, zo niet de enige.
Verder leert een simpele zoektocht in mijn Bijbel nog het volgende op;

Psalm 19 : 5-7
4 Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem
niet wordt gehoord.
5 Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen
aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een
tent gesteld voor de zon.
6 En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer;
zij (hij) is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
7 Haar (Zijn) uitgang is van het einde des hemels, en haar
(zijn) omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar (zijn) hitte.

Psalm 104 : 19-22
19 Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
20 Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:
21 De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun
spijs van God te zoeken.
22 De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.

1 Samuël 2 : 8
8 Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige
verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten,
dat Hij hen den stoel der ere doe beërven; want de
grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft
de wereld daarop gezet.

Job 26 : 7
7 Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de
aarde aan een niet.

Job 38 : 4-6
4 Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geeft het te
kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
5 Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie
heeft over haar een richtsnoer getrokken?
6 Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie
heeft haar hoeksteen gelegd?

Psalm 102 : 26
26 Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen;

Hebreeën 1 : 10
10 En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen;

Psalm 104 : 5
5 Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal
nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.

Psalm 119 : 90
90 Uw getrouwheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan


Spreuken 8 : 29
29 Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde

Jesaja 51 : 13
13 En vergeet den HEERE, Die u gemaakt heeft, Die de
hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en
vreest geduriglijk den gansen dag, vanwege de grimmigheid des benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven?
Waar is dan de grimmigheid des benauwers?

 
Jeremia 10 : 12
12 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de
wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.

Jeremia 51 : 15
15 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de
wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand;

Zacharia 12 : 1
1 De last van het woord des HEEREN over Israël. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert.

Het wereldbeeld wat de wetenschap ons voorhoudt klopt niet.

Grondvesten/vastmaken is niet: laten draaien met een duizelingwekkende snelheid. Is het verstandig Bijbel in overeenstemming te brengen met “ons” wereldbeeld? Andersom lijkt mij beter…

De toestand van de doden, bestaat de mens niet meer als hij gestorven is?

 

Waarom dit artikel

Vandaag de dag doet de leer van de “zieleslaap” weer van zich horen. De gedachte is volgens deze leer dat een gelovige ophoudt te bestaan als hij gestorven is. Geen bewustzijn ook meer dus. Aansluitend gelooft men dan, afhankelijk uit welke geloofsrichting men komt, dat de gestorvene zal worden opgewekt, hetzij bij de opname van de Gemeente, hetzij bij de Jongste Dag, ook wel bekend als de dag van het Oordeel. Om deze leer te ondersteunen gebruikt men vrijwel uitsluitend teksten uit het Oude Testament, met name de Psalmen en Prediker.

De zgn “Jehovah’s getuigen” hebben de “zieleslaap” als een belangrijk stokpaardje van hun leer, met name om zich zo te onderscheiden van de “afvallige Christenheid”.

De leer van de zieleslaap is in mijn ogen een ongerijmdheid, omdat met name in het Nieuwe Testament veel aanwijzingen terug te vinden zijn over de toestand van de gelovige na het overlijden. De Here Jezus zelf sprak al over het feit dat degene die “Zijn Woord zou bewaren de dood niet zou zien in eeuwigheid”. Johannes 8:51 De apostel Paulus, die de verborgenheden Gods mocht openbaren, kon en mocht verder zien dan de Prediker, die slechts beschrijft wat onder de zon is, dus zichtbaar. Hij sprak meermalen zijn verwachting uit, na zijn heengaan met Christus te zijn, overkleed te worden etc. In dit artikel wil ik een aantal Schriftplaatsen uitlichten.

De mens

De Bijbel spreekt over de uiterlijke en de innerlijke mens. "Al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd". 2 Korinthe 4:16.

"De oude mens aflegt, die ten verderve gaat … de nieuwe mens aandoet, die naar [de wil van] God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid" Efeze 4:21 Zie ook Ef. 3:16; Kol. 3:9-11; 1 Petrus 3:4.

De mens heeft een geest, een ziel en een lichaam. "En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te blijven". 1 Thessalonicenzen 5:23

De uiterlijke mens (het lichaam) "die ten verderve gaat" wordt bij de dood ontbonden. Dit is duidelijk voor iedereen.

De vraag echter is: Blijft de ziel of de geest van de mens bestaan na de dood?

De dood

De Bijbel spreekt over verschillende soorten dood, zie bijvoorbeeld de tweede dood in Openbaring 2:11 en de dood in zonde in Efeze 2:1

We hebben het hier over de dood van het stoffelijk lichaam van de mens. "Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood". Jakobus 2:26

Op basis van wetenschappelijke waarnemingen is het niet mogelijk deze vraag te beantwoorden. Dit maakt Salomo duidelijk in Prediker 3:18-21 waar hij de vraag stelt: "Wie bemerkt, dat de adem der mensenkinderen opstijgt naar boven en dat de adem der dieren neerdaalt naar beneden in de aarde?" Dit is niet iets dat wij kunnen bemerken of zien zoals wij stoffelijke feiten kunnen waarnemen. Uitgaande van alles wat wij kunnen zien en waarnemen is de mens niet anders dan de dieren en sterven de mensen op de zelfde wijze als de dieren.

Er is evenwel een andere bron van kennis: Openbaring van God. Door goddelijke inspiratie geeft Salomo in Prediker 12:7 het antwoord op zijn eigen vraag. "En het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft."

Het antwoord op de vraag: Houdt de mens op te bestaan bij de dood, vinden wij in de Heilige Schrift waar God openbaart wat de mens na zijn dood zal meemaken.

De mens blijft bestaan

Een mens kan de ziel van zijn medemens niet doden.

"En weest niet bevreesd voor hen, die wèl het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de Gehenna". Mattheüs 10:28. Een mens kan mijn lichaam wel doden. Maar geen mens kan mijn ziel doden. Dit bewijst dat de ziel van de mens blijft leven, al wordt zijn lichaam gedood.

De ziel van Christus konden de mensen ook niet doden, want Hij behield de macht om zijn leven weer te nemen. Jezus zei i.v.m. zijn leven: "Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen". Johannes 10:17,18. Hoe kan iemand, die niet meer bestaat, macht hebben zijn leven weer te nemen of weer te ontvangen? Wie niet bestaat kan geen macht hebben. Wie niet bestaat kan niets nemen of ontvangen.

Paulus vertelt dat een mens buiten zijn lichaam weggevoerd kan worden.

"Ik weet van een mens in Christus, veertien jaar is het geleden — of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het — dat die persoon weggevoerd werd tot in de derde hemel. En ik weet van die persoon — of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het — dat hij weggevoerd werd naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken". 2 Korinthe 12:2-4

Tijdens Zijn leven heeft Jezus met Mozes gesproken, hoewel Mozes al lang tevoren was gestorven.

"Toen stierf Mozes, de knecht des HEREN, aldaar in het land Moab, volgens des HEREN woord". Deuteronomium 34:5

"En zie, twee mannen spraken met Hem, en wel Mozes en Elia. Dezen, in heerlijkheid verschenen, spraken over zijn uitgang, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen. En Petrus en die met hem waren, werden door slaap overmand en, toen zij ontwaakten, zagen zij zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden". Lucas 9:30-32. Zie ook Mat. 17:1-3; Marcus 9:2-4

Mozes kon met Jezus spreken, al was zijn stoffelijk lichaam al lang gestorven.

De God van Abraham en van Isaak en van Jakob is niet een God van doden.

"Maar dat de doden opgewekt worden, heeft ook Mozes bij de braamstruik aangeduid, waar hij de Here noemt de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob. Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven zij allen". Lucas 20:37,38

Het lichaam van deze aartsvaders was dood, toch leefden ze voor God.

Dezelfde waarheid vinden we in Openbaring 22:6 waar de Vader wordt genoemd "de God van de geesten der profeten".

Bij hun dood kunnen mensen tot geliefden gaan, die al vroeger gestorven zijn. In 2 Samuël 12:23 spreekt David over zijn pas gestorven kind: "Ik zal wel tot hem gaan, maar hij keert tot mij niet terug". Hoe kan David tot zijn zoon gaan, indien ze allebei niet meer bestaan na de dood?

De zielen van de martelaren rusten onder het altaar in de hemel tot de jongste dag.

"En toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden. En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? En aan elk hunner werd een wit gewaad gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals zij". Openbaring 6:9-11

Als christenen zijn wij genaderd tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben.

"Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben". Hebreeën 12:22,23

De rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben, zijn degenen die hun aardse dienst als trouwe gelovigen al voltooid hebben. Als christenen zijn wij tot hun geesten genaderd. Hoe zouden wij tot hun geesten genaderd kunnen zijn, indien ze, na de voleinding bereikt te hebben, niet meer bestonden?

Lazarus en de rijke bleven na hun dood bestaan

"En er was een rijk man, die gekleed ging in purper en fijn linnen en elke dag schitterend feest hield. En er was een bedelaar, Lazarus genaamd, vol zweren, nedergelegd bij zijn voorportaal, die verlangde zijn honger te stillen met wat van de tafel van de rijke afviel; zelfs kwamen de honden zijn zweren likken. Het geschiedde, dat de arme stierf en door de engelen gedragen werd in Abrahams schoot. Ook de rijke stierf en hij werd begraven. En toen hij in het dodenrijk zijn ogen opsloeg onder de pijnigingen, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot. En hij riep en zeide: Vader Abraham, heb medelijden met mij en zend Lazarus opdat hij de top van zijn vinger in water dope en mijn tong verkoele, want ik lijd pijn in deze vlam. Maar Abraham zeide: Kind, herinner u, hoe gij het goede tijdens uw leven hebt ontvangen en insgelijks Lazarus het kwade; nu wordt hij hier vertroost en gij lijdt pijn. En bij dit alles, er is tussen ons en u een onoverkomelijke kloof, opdat zij, die vanhier tot u zouden willen gaan, dit niet zouden kunnen, en zij vandaar niet aan onze kant zouden kunnen komen. Doch hij zeide: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader zendt, want ik heb vijf broeders. Laat hij hen dan ernstig waarschuwen, dat ook zij niet in deze plaats der pijniging komen. Maar Abraham zeide: Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren. Doch hij zeide: Neen, vader Abraham, maar indien iemand van de doden tot hen komt, zullen zij zich bekeren. Doch hij zeide tot hem: Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren zullen zij ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen". Lucas 16:19-31

Er zijn gelovigen die de waarheden van deze tekst niet willen aanvaarden, die beweren dat dit een gelijkenis is, of zelfs een spotrede, en daarom de echte stand van zaken niet weergeeft. Nergens staat er echter in de Schrift vermeld dat dit een gelijkenis is. In tegendeel: "En er was een rijk man .. En er was een bedelaar, Lazarus genaamd". Maar al was dit een gelijkenis, dient men te onthouden dat een gelijkenis, per definitie, een waarheidsgetrouw verhaal is, dat geestelijke waarheden uitbeeldt. Zelfs al zou dit een gelijkenis zijn, zouden de feiten toch waarheidsgetrouw zijn. Wat deze mensen eigenlijk zeggen, is dat Jezus hier een fabeltje of een mythe vertelt. Een fabel berust op fantasie en hoeft niet in overeenstemming te zijn met de waarheid. Natuurlijk, in dit verhaal wordt een zekere mate van beeldspraak gebruikt. Maar we kunnen moeilijk geloven dat Jezus hier een fabeltje heeft verteld, vooral wanneer wij in gedachten nemen wat Petrus over mythen zegt: "Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels (Grieks: MYTHOIS) nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit". 2 Petrus 1:16. Als dit verhaal van Jezus niet waarheidsgetrouw is, wat zou dan de betekenis ervan zijn?

 

Lazarus en de rijke verkeerden na hun dood in een bewuste toestand.

Hieruit leren wij ook dat de rechtvaardigen getroost worden, en dat de onrechtvaardigen gepijnigd worden.

Ook vernemen we dat mensen na hun dood geen hulp kunnen bieden aan degenen die nog op aarde zijn.

Dat Lazarus en de rijke in een bewuste toestand verkeerden, wordt niet weersproken door teksten die spreken over de toestand van een dood lichaam.
Wanneer er in Prediker 9:5,6 staat dat de doden niets weten, geldt dit zeker voor een lijk. "De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten. Zowel hun liefde als hun haat en hun naijver zijn reeds lang vergaan; en zij hebben nimmer deel aan iets, dat onder de zon geschiedt." Deze tekst slaat op wat geschiedt "onder de zon". Dit wordt duidelijk door "zij hebben geen loon meer te wachten", want dit geldt wel in verband met deze wereld, maar zeker niet in verband met de dag des oordeels.
Een gelijkaardige tekst vinden we in Job 14:21,22. "Zijn zonen mogen tot ere komen, maar hij weet het niet; of komen zij tot lage staat, hij bemerkt niets van hen. Slechts over hemzelf lijdt zijn vlees smart, en zijn ziel treurt over hemzelf." Na zijn dood weet de mens niet meer wat op aarde gebeurt, maar hij is wel zelfbewust. Dat de rijke over zijn broers spreekt, is hiermee niet in strijd, want hij was net gestorven en wist wel wat voor slechte mensen zij waren, zonder dat hij hun bezigheden nog zou moeten kunnen aanschouwen.
Teksten die leren dat een dode God niet kan loven (b.v. Ps. 6:5,6; 88:11-13; 115:17,18 en Jes. 38:18,19) verwijzen naar het lichaam. Een lijk kan inderdaad niet lopen of spreken. Het woord ‘dode’ slaat dikwijls op het lijk. Volgens Psalm 88:11,12 b.v. "zij die in het graf liggen" (zie vers 6) kunnen niet opstaan en God loven. Het is het lijk dat in het graf ligt en een lijk kan inderdaad God niet loven.
Dat Lazarus en de rijke in een bewuste toestand verkeerden, wordt ook niet weersproken door teksten die leren dat de dood een slaap is (b.v. Joh. 11:11-14; Hand. 7:60; 13:36). Het is alweer het lichaam dat slaapt. "Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen" (Daniël 12:2). Het lichaam slaapt "in het stof der aarde", niet de ziel, want de geest gaat tot God. "En het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft". Prediker 12:7.

"Maar hij, vol van de heilige Geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid Gods en Jezus, staande ter rechterhand Gods, 56 En hij zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.57 Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopte hun oren toe en stormden als een man op hem los;58 en zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem. En de getuigen legden hun mantels af aan de voeten van een jonge man, Saulus genaamd.59 En zij stenigden Stefanus, die de Here aanriep, zeggende: Here Jezus, ontvang mijn geest.". Handelingen. 7:55-60

Bij een opwekking keert de geest of ziel terug in het dood lichaam.

Bij Zijn dood gaf Jezus Zijn geest in handen van de Vader. "Vader, in uw handen beveel ik mijn geest". Lucas 23:46

Stefanus, bij zijn dood, zei: "Here Jezus, ontvang mijn geest". Hand. 5:59.

Bij de opwekking van Jaïrus’ dochter (Lucas 8:55) lezen wij: "En haar geest keerde terug". (Sommigen beweren dat dit betekent dat haar adem terugkeerde, want het woord voor "geest" in het Grieks kan ook "adem" betekenen. Enfin, waar was haar adem dan naartoe geweest?)

Toen de zoon van de weduwe werd opgewekt (1 Koningen 17:21,22) keerde de ziel van het kind in het lichaam terug: "Toen strekte hij zich driemaal uit bovenop het kind en riep tot de HERE en zeide: HERE, mijn God! Laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren. En de HERE hoorde naar de stem van Elia, en de ziel van het kind keerde in hem terug, zodat het levend werd."

Christenen zullen nooit sterven

Jezus zei: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen" (Johannes 3:51). Dit geldt voor allen die het woord van Christus bewaren. Moest een christen bij zijn dood ophouden te bestaan, hoe zou dit woord van Christus waar kunnen zijn? Als christen kan mijn lichaam sterven, maar ik niet.

"Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven: wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?". Johannes 11:25,26 Ik wel in ieder geval!

"En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid". 1 Johannes 2:17. Zie ook Joh. 6:48-51, 57,58.)

De dood wordt beschreven als een slaap

Zie Dan. 12:2; Joh. 11:11-14; Hand. 7:60; 13:36; 1 Kor. 15:18; 1 Thes. 4:14; 5:10.

Bestaat men nog terwijl men slaapt? Zeker wel. Niemand kan slapen die niet bestaat.

Net voor Stefanus ontsliep zei hij: "Here Jezus, ontvang mijn geest" (Hand. 7:59).

Een christen blijft leven of hij wakker is of slaapt. "Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Here Jezus Christus, die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven" 1 1 1Thessalonicenzen 5:9,10

Het lichaam van een christen is slechts een tent, die hij bij zijn dood aflegt, een verblijf, dat hij bij zijn dood verlaat.

Petrus noemt zijn nakende dood "het afleggen van mijn tent" en "mijn heengaan" 2 Petrus 1:14,15. Wie heeft de tent afgelegd? Hoe zou Petrus een ophouden met bestaan een "heengaan" kunnen noemen? Dan zou hij "mijn tenietgaan" moeten gezegd hebben.

Paulus zegt: "Ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil". Filippenzen 1:23

"Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd. Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid, daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig. Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden. Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden. God is het, die ons juist daartoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft. Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn — want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen — maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen". 2 Korinthe 4:16 – 5:8

De mens blijft bestaan, ook na de dood. Het is de mensen beschikt "eenmaal te sterven en daarna het oordeel". Hebreeën 9:27. "Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad". 2 Korinthe 5:9,10