(naar lukkien)
Dat God tenslotte aan het einde der eeuwen alle mensen, ja alles wat Hij geschapen heeft, door Christus tot Zichzelf zal verzoenen, staat zó duidelijk in de Schrift, dat het eigenlijk niet nodig zou moeten zijn erover te spreken. God heeft gezegd dat Hij het doen wil, en Hij heeft gezegd dat Hij het doen zal.
In 1 Tim. 2:3,4 lezen we: “Want dat is goed en aangenaam voor God, onze Zaligmaker, welke wil, dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen.” Concordant vertaald klinkt het zo: “God, onze Redder, die wil, dat alle mensen gered worden en tot erkentenis der waarheid komen.” Daar staat het duidelijk: God wil de redding van alle mensen.
Zeg nu niet: God zou het wel willen, want dat staat er niet. De apostel gebruikt hier het woord theloo, willen. In het 8e vers: “Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen,” gebruikt bij het werkwoord boulomai, en dat is een willen, waarvan de uitvoering afhankelijk is van de wil van een ander. Bijv. in Hand. 25:22, waar koning Agrippa zegt: “Ik wilde ook zelf die mens wel horen,” en Festus antwoordt: “Morgen zult gij hem horen.” Of in 2 Kor. 1:15, waar Paulus zegt: “Op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen,” terwijl uit het vervolg blijkt, dat de omstandigheden zijn komst hebben vertraagd. Of in Film. :13, waar Paulus Onesimus wel bij zich wil houden, maar daarvoor de toestemming van Filemon nodig heeft. Dat willen is boulomai, maar waar in 1 Tim. 2:4 staat, dat God wil, daar is het theloo. Dat willen hebben we ook in Matth. 8:3: “Ik wil, word gereinigd.” of in 1 Kor. 12:18: “God heeft de leden gezet, elk van hen in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft.” Dat is een willen, onafhankelijk van de wil van een ander, een soeverein willen, waartegen geen schepsel zich verzetten kan. En met dat willen wil God, dat alle mensen gered worden.
Wellicht zegt u: “Ja, God wil, dat alle mensen gered worden, maar de mensen willen niet.” Bedoelt u daarmee te zeggen, dat God niet kan, als de mens niet wil? Is de wil van de mens sterker dan de wil van de Almachtige, moet Zijn wil het afleggen tegen die van de mens?
Paulus wilde ook niet gered worden op de weg naar Damaskus, maar God wilde het en toen gebeurde het. En wanneer God wil, dat alle mensen gered worden, dan zal dat ook gebeuren. Op zijn tijd, en die tijd heeft Hij ons ook bekend gemaakt. Maar daarover straks.
Paulus vervolgt in 1 Tim. 2:5,6: “Daar is één God, daar is ook één Middelaar Gods en der mensen, de mens Christus Jezus, die Zich zelf gegeven heeft tot een rantsoen voor allen.” Daar wijst de apostel ons de weg aan, waarlangs God het bereikt, dat alle mensen gered worden: het is door den Middelaar, die Zich zelf geeft tot een rantsoen voor allen. “Tot een rantsoen voor velen,” zegt Matth. 20:28. De Zoon des mensen gaf Zijn ziel tot een rantsoen voor velen. De Zoon des mensen, zo heet Christus in de Evangeliën wel honderd maal, één keer in Handelingen, (7:56.) en twee keer in Openbaring. (1:13; 14:14.) Christus heet zo, als Hij optreedt onder Israel, en dan geeft Hij Zijn ziel tot een rantsoen voor velen. Maar Paulus, die Hem nooit Zoon des mensen noemt, kan verder gaan dan de Heer in de Evangeliën deed, en hij kan ons zeggen, dat de Middelaar van God en de mensen, Zichzelf gaf tot een rantsoen voor allen.
In 1 Tim. 4:10 vertelt Paulus nog eens, dat God de Redder is van alle mensen. De vertaling is daar niet concordant. Het Griekse woord sooter vertaalt ze twee en twintig maal door Zaligmaker, en twee keer door Behouder, hier en in Ef. 5:23. Waarom in deze twee teksten ook niet door Zaligmaker? Dan zou het nog veel duidelijker blijken, dat God de Zaligmaker is van alle mensen. Ik vertaal liever: de Redder. Bij het woord Zaligmaker denken we aan gelukkig maken, en al is het zeker waar, dat Hij ons gelukkig maakt, toch is dat niet de betekenis van het woord sooter. Dat betekent redder, en Paulus verzekert ons, dat God de Redder is van alle mensen. In Paulus’ dagen wilden de mensen dat ook al niet horen. Paulus werd gesmaad, omdat hij hoopte op de levende God, die de Redder van alle mensen is. En wie in onze dagen zijn hoop deelt, loopt ook het risico, door de gelovigen gesmaad te worden. Toch blijft Paulus vasthouden aan zijn hoop op den levende God, die de Redder is van alle mensen, en hij vermaant Timotheüs: “Beveel deze dingen en leer ze.”
We weten dus, wat Gods wil is: Hij wil, dat alle mensen gered worden; daartoe gaf Christus Zichzelf tot een rantsoen voor allen, en zo wordt God de Redder van alle mensen. Bovendien zegt God ons op verschillende plaatsen, dat Zijn wil in deze volbracht zal worden; dat Hij de wereld tot Zichzelf zal verzoenen.
Kol. 1:13-20 (met enkele weglatingen): “Die het beeld is van de onzichtbare God, de eerstgeborene van alle schepsel, want in Hem is het heelal geschapen, in de hemelen en op de ……… het heelal is door Hem en tot Hem geschapen…. want het behaagt de gehele Volheid in Hem te wonen en door Hem het heelal te verzoenen tot Zichzelf (vrede makend door het bloed van Zijn kruis) door Hem hetzij op de aarde, hetzij in de hemelen.”
Ik vertaal hier: het heelal. Er staat in het Grieks: ta panta, het alles, of eigenlijk in het meervoud: de allessen. Onze vertaling heeft daar: alle dingen, en daarbij zou men aan voorwerpen kunnen denken; daarom laat ik die dingen liever weg en spreek over het al, het heelal, al het geschapene. Welnu, volgens vers 16 is het heelal in Christus en door Hem en tot Hem geschapen; volgens vers 20 verzoent de Volheid door Hem het heelal tot Zich. Hemelen en aarde door Christus geschapen — wie van ons twijfelt daaraan? Aarde en hemelen door Christus tot God verzoend — zullen we dan daaraan twijfelen? Als het één alles is, dan ook het andere, want de Heilige Geest gebruikt in beide gevallen hetzelfde woord ta panta, alle dingen, de allessen, het gehele al, het heelal.
Daar komt nog bij, dat de Geest hier voor verzoenen het woord apokatallassoo gebruikt, alverzoenen, wederzijds verzoenen, net zoals in het 21e vers, waar de Kolossensen met God verzoend zijn, en in Ef. 2:16, waar de gelovigen uit de Joden en uit de heidenen in één lichaam verzoend zijn door het kruis. Wederzijdse verzoening dus van God en het heelal door Christus, dat leert ons Kol. 1:13-20.
De Efeze brief spreekt ook over de alverzoening. In hoofdstuk 1:9 en 10 zegt Paulus, dat God ons bekend maakt “de verborgenheid van Zijn wil naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zich zelf, om in de bedeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in de hemel en dat op de aarde is.” Laten we dat nauwkeuriger lezen. Er staat: “om in de bedeling van de volheid der tijden het heelal onder één hoofd te plaatsen in Christus, zowel wat in de hemelen als wat op de aarde is.” Christus het hoofd van hemel en aarde, dat was een verborgenheid van Gods wil, die soevereine wil, die slechts te willen heeft en het gebeurt, en God heeft ons die verborgenheid in de rijkdom van Zijn genade bekend gemaakt. Zo zegt Paulus het in de brief aan de Efeziërs.
En in de Korinthe brief legt hij het ten slotte helemaal uit. “Gelijk zij allen in Adam sterven, zo zullen zij ook allen in Christus levend gemaakt worden.” (1 Kor. 15:22.) Dat in Adam alle mensen sterven, dat is bekend genoeg. Welnu, zo zullen in Christus alle mensen levend gemaakt worden. Op dezelfde wijze. Gelijk — zo ook. Dat allen in Adam sterven, dat is buiten hun toedoen, dat heeft God zo gewild; dat allen in Christus levend gemaakt worden, dat is eveneens buiten hun toedoen, dat heeft God ook zo gewild.
Ze zullen levend gemaakt worden; dat zegt meer, dan dat ze zullen opstaan. Wie opgestaan is, kan nog weer sterven, zoals Lazarus van Bethanië, en zoals ook de velen, die levend geoordeeld worden vóór de witte troon en daarna weer sterven in de tweede dood. (Op. 20.) Wie levend gemaakt wordt, sterft niet meer. Christus is bij Zijn opstanding onsterfelijk geworden. (Rom. 6:9.) De Zijnen worden eveneens onsterfelijk bij hun opstanding. (1 Kor. 15:51-55.)
Dat onsterfelijk worden gebeurt in drie fasen. De eersteling Christus — dat is al gebeurd. Daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst, dat zal geschieden op het einde van deze bedeling. En daarna komt het einde, waarin alle overigen levend worden gemaakt. En zeg nu niet, dat ze levend worden gemaakt, opdat ze eindeloos zouden worden gemarteld, want het vervolg van de tekst zegt het tegendeel: het is, opdat God ook in hen alles zou zijn. (vers 28.)
En nu weten we dus ook, op welke tijd God hen levend zal maken; het zal zijn, wanneer Christus afstand doet van de regering. Gedurende de duizend jaren regeert Christus; op de nieuwe aarde en in de nieuwe hemel ook. Maar dan komt het ogenblik, dat de laatste vijand, de tweede dood, teniet wordt gedaan, en allen, die nog in zijn macht waren, bevrijd worden, en dan geeft Christus de heerschappij over aan de Vader, opdat God zij alles in allen.
Spreek dus niet van een vernieuwde aanbieding tot bekering na de dood of van een langzame maar zekere vooruitgang en een geleidelijke verbetering van de mens; dat zijn menselijke verzinsels, die we in de Schrift niet vinden. Volgens de Schrift worden zij, die in Christus gestorven zijn, levend gemaakt bij Zijn komst, om dan voor altijd bij Hem te zijn. Volgens de Schrift blijven zij, die niet in Christus zijn, in de dood tot aan het oordeel van de witte troon, waar ze vergelding ontvangen naar hun werken, waarna ze in den tweede dood zijn tot aan de voleinding der eeuwen. Volgens de Schrift worden dan ook zij levend, onsterfelijk gemaakt, zodat God alles in allen zal zijn. Het is dus eenvoudig een daad van Gods soevereine wil, waardoor Hij ook hen levend maakt en tot Zich verzoent door Christus. Maar dat Hij ons gegeven heeft, nu reeds in Hem te geloven, was dat niet ook een daad van Zijn soevereine wil? Hij ontfermt Zich over wie Hij wil, en Hij verhardt die Hij wil. (Rom. 9:16-18.) En over wie Hij in deze tijd verhardt, zal Hij aan het einde der eeuwen Zich ontfermen. Want Hij plaagt en bedroeft de mensen kinderen niet van harte. (Klaagl. 3:31-33.)
En zo blijkt het waar te zijn, wat Paulus in Rom. 5:19 zegt: “Gelijk door de ongehoorzaamheid van die ene mens (Adam) de velen (dat zijn volgens vers 18 alle mensen) tot zondaren gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van de ene (Christus) de velen (dat zijn volgens vers 18 alle mensen) tot rechtvaardigen gesteld worden.”
Gesteld: God doet het. Hij stelde in Adam allen tot zondaren; Hij zal in Christus allen tot rechtvaardigen stellen. Degenen, over wie Hij Zich ontfermt, nu reeds; degenen, die Hij verhardt, aan het einde der eeuwen. En zo bereikt God in den loop der eeuwen Zijn doel, dat Hij Zich in Zijn plan der eeuwen heeft voorgesteld: dat Hij in allen alles zal zijn.
God zegt ons, dat Hij het doen wil; Hij zegt ons, dat Hij het doen zal. Zullen we Hem tegenspreken en zeggen, dat het grootste deel van Zijn schepselen eindeloos zal branden in het eeuwige vuur? Ik weet wel, dat het ons moeite kost, van de overgeleverde meningen af te komen; we hebben ze immers van kind af geleerd. Na meer dan zestig jaren weet ik nog letterlijk, wat ik leren moest in Borstius’ Korte Vragen voor Kleine Kinderen, een boekje, dat naar ik hoor, ook nu nog gebruikt wordt: “Wie heeft de hel gemaakt? God de Heer. Voor wie? Voor de kwade kinderen en alle goddeloze mensen. Wat doen zij daar? Zij branden in het eeuwige vuur.” Zo leren de mensen het aan hun kleine kinderen. De Schrift zegt, dat God in al Zijn schepselen alles wil zijn, dat Hij allen levend wil maken, dat Hij allen tot rechtvaardigen wil stellen, dat Hij het heelal tot Zichzelf zal verzoenen in Christus, dat Hij allen onder de ongehoorzaamheid heeft besloten, opdat Hij allen barmhartig zou zijn. (Rom. 11:32.) Kunnen wij niet beter de Schrift geloven dan de mensen?
De Schrift spreekt over het eeuwige vuur, het eeuwige verderf, de eeuwige pijn; de Schrift belooft het eeuwige leven alleen aan wie in Christus geloven. Dat is geenszins strijd met wat de Schrift ons zegt van Alverzoening. Eeuwig betekent immers niet eindeloos, het is eeuws, het is gedurende de eeuw of de eeuwen. De gelovige leeft gedurende de toekomende eeuwen; de ongelovige is dood en staat gedurende die eeuwen alleen op om zijn oordeel te ontvangen in het eeuwse vuur, de eeuwse pijn, het eeuwse verderf. Merkwaardig, dat in Matth. 25:46 voor pijn in het Grieks kolasis staat, d.w.z. tuchtiging, en niet basanos, pijniging. Het is de tuchtiging van de toekomende eeuw. Wanneer we geloven, dat de eeuwen een tijdelijke duur hebben met een begin en een voleinding, dan kunnen we ook verstaan, dat het oordeel in die eeuwen plaats vindt, en dat aan het einde der eeuwen God ook Zijn laatste vijanden met Zich zal verzoenen.
Want Christus is het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Er staat niet: de zonde van de gelovigen. Er staat ook niet: probeert weg te nemen. Er staat: die de zonde der wereld wegneemt.
Recente reacties