Voorpagina > Bijbel, Bijbelstudie, Eindtijd, geloof > De gemeente van Jezus Christus in de eindtijd

De gemeente van Jezus Christus in de eindtijd

Door Johan van Arkel

We lezen Romeinen 15:4:

Alles, wat vroeger is geschreven is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij in de weg van de volharding en van de vertroosting de hoop zouden vasthouden.”

In de levens van nogal wat personen in het Oude Testament bijv. van Izak, Jozef en Mozes zien we een profetisch heenwijzen naar de Here Jezus.

Zo is deze Bijbelstudie bedoeld om in de geschiedenis van het volk van Israel een profetische voorafschaduwing te zien met wat er gebeuren zal met de gemeente uit de heidenen. We lezen in 1 Corinte 10:6 dat bepaalde gebeurtenissen in de historie van Israel ons tot voorbeeld zijn. Voor Israel gold:

Tot de wet en tot de getuigenis! Voor wie niet spreekt naar dit woord, is er geen dageraad.” (Jes. 8:20) Dit getuigenis is de wet van Mozes. Het kenmerk van de afval was het verlaten van de wet en terugkeer tot die wet kenmerkte het herstel.

De oudtestamentische geschiedenis van Juda vertoont het volgende beeld:

Afval gevolgd door wederkeer. Diepere afval gevolgd door volkomener wederkeer. En nog diepere afval (die leidde tot de Babylonische ballingschap) die wordt gevolgd door een laatste opwekking, die het volk volkomen terugbrengt tot de wet van God.

We willen beschouwen en vergelijken in het kort achtereenvolgens de afval vóór en de wederkeer ( de opwekking) onder Hizkia, Josia en Nehemia.

Afval voor en terugkeer onder Hizkia.

2 Kronieken 28 geeft ons een verslag over de goddeloze regering onder koning Achaz. Hij had als koning de zeden in Juda laten verwilderen en zijn plicht tegenover de HEER verzaakt, zo lezen we in vers 19. En in vers 24 en25 lezen we van hem:

Achaz haalde alle voorwerpen van God uit de tempel en sloeg ze aan stukken; hij liet de tempel van de HEER sluiten en plaatste altaren op alle straathoeken van Jeruzalem. Hij tergde de God van zijn voorouders nog verder door in alle steden van Juda offerplaatsen voor andere goden in te richten.

Maar dan in de hoofdstukken 28 en 29 van hetzelfde Bijbelboek wordt geschreven over een opwekking, die uitgaat van koning Hizkia. Lees in hoofdstuk 29 het bericht van de heropening, de reiniging en de weer inwijding van de tempel van God:

Wij hebben het gehele huis ven de HEER gereinigd. (:18)

Toch blijkt deze opwekking ook tekorten te kennen:

  • Vers 34 “De levieten hadden met hun heiliging meer ernst gemaakt dan de priesters.”

  • De viering van het Pascha, waarvan we lezen in hoofdstuk 30, was in meerdere opzichten in strijd met wat was voorgeschreven.

  • “Zij slachtten het Pascha op de veertiende van de tweede maand.” (vers 15) voorschrift was het feest in de eerste maand te vieren.

  • “Want zij konden het op de gewone tijd niet vieren, omdat zich niet voldoende priesters geheiligd hadden en het volk niet in Jeruzalem samengekomen was.” (30:3)

  • “De priesters en de levieten stonden op hun plaats,….overeenkomstig de wet van Mozes.” (:15, 16) Dat was dan een positief punt.

  • Maar het onvolkomene van deze opwekking blijkt uit vers 17-19…”Velen onder de gemeente hadden zich niet geheiligd….Het grootste gedeelte van het volk… had zich niet gereinigd, toch aten zij het Pascha in strijd met het voorschrift.”

Maar nu de sleuteltekst voor deze opwekking:

Er was grote vreugde in Jeruzalem, want sinds de dagen van Salomo was in Jeruzalem iets dergelijks niet geschied.”

Afval vóór en terugkeer onder Josia

2 Kronieken 33 vertelt ons over de goddeloze regering van Manasse enAmon:

Manasse herbouwde de offerhoogten…. richtte altaren voor de Baäls op, maakte gewijde palen…. boog zich neer voor het gehele heer des hemels (NBV: de hemellichamen) ….bouwde altaren in het huis des HERE voor het gehele heer des hemels in de beide voorhoven…deed zijn zonen door het vuur gaan….liet zich in met toekomstvoorspellingen, waarzeggerij en toverij….stelde bezweerders van doden en van geesten aan….plaatste ook een afgodsbeeld in het huis van God…. verleidde Juda ertoe meer kwaad te doen dan de volken, die de Here voor de Israëlieten had verdelgd. De Here sprak tot Manasse en zijn volk, maar zij luisterden niet. (:3-10)

Amon deed wat kwaad is in de ogen des Here, evenals zijn vader Manasse gedaan had….offerde aan al de beelden, die zijn vader gemaakt had en diende ze. (:21-22)

De opwekking onder Josia, die daarop volgt, wordt verhaald in 2 Kronieken 34 en 35. Josia reinigt Juda van de hoogten, de gewijde palen, de gesneden en gegoten beelden, de altaren van Baäl en de wierook altaren. (34:3-7)

Hij laat het huis van de Here niet alleen reinigen (:8), maar ook verbeteren en herstellen> (:10). Daarbij wordt ook het boek der wet des Heren gevonden en ook benut. (:15, 21, 30)

Koning Josia las ten aanhoren van allen al de woorden van het gevonden boek van het verbond. (2 Koningen 23:2)

De koning ging op zijn plaats staan. (2Kron. 34:31)

Hoofdstuk 35 beschrijft de viering van het Pascha. Deze keer op de juiste tijd: “de veertiende van de eerste maand (:1) overeenkomstig het woord des HEREN door de dienst van Mozes (:6).

Zij offerden “zoals geschreven staat in het boek van Mozes”. (:12)

Niet alleen de priesters en de levieten (:10), maar ook de zangers en de poortwachters stonden op hun plaats (:15 SV)

En nu de sleuteltekst voor deze opwekking:

Zulk een Pascha was in Israel niet gevierd sinds de dagen van de profeet Samuël.

Afval voor en terugkeer tijdens Nehemia.

De goddeloze regering van vier achtereenvolgende vorsten heeft als resultaat de verwoesting van stad en tempel en de wegvoering van Juda naar Babel.

Joahaz en Jojakim deden wat kwaad was in de ogen van de Heer. (2 Koningen 23:32 en 2 Kron. 36:5.)

Jojakim heeft gruwelen bedreven, kwaad werd in hem gevonden. (:8) Hij bouwde zijn huis met ongerechtigheid, liet zijn naasten voor niets weken. Hij had enkel oog en hart voor onrechtmatig gewin en voor het vergieten van onschuldig bloed, voor het begaan van onderdrukking en geweld. (Jeremia 22:13-17)

Hij sneed van de rol met de profetieën telkens het gedeelte dat hem was voorgelezen af en wierp dat in het vuur, totdat de gehele rol verteerd was.

Zij verschrokken niet, de koning noch een van zijn dienaren, die al deze woorden hoorden” (Jer 36:21-24)

Jojakim deed wat kwaad was in de ogen van de Heer (2Kron. 36:9). Hij had al van zijn jeugd af gezegd: “Ik wil niet horen.” (Jer. 22:21)

Zedekia verootmoedigde zich niet voor de woorden, die God door Jeremia tot hem deed spreken. Al de oversten van de priesters en het volk naakte zich voortdurend aan ontrouw schuldig, naar de gruwelen der volken, zij maakten het huis des HEREN onrein . zij bespotten de boden van God en hoonden zijn profeten. (2 Kron. 36:11-16)

De maat van de ongerechtigheid is vol geworden.

De gramschap van de Heer verhief zich zozeer tegen zijn volk, dat er geen herstel meer mogelijk was.

Het land spuwt het volk uit. Lees Leviticus 18:25,28 en 20:33

(Er is één land dat de zonde niet verdragen kan. Telkens als de bewoners zich aan ongerechtigheden schuldig maken en daarmee doorgaan, worden die bewoners uitgespuwd. Dat is ook Israel overkomen. In de vorige eeuw is Israel onbekeerd teruggekeerd en dat laatste verklaart de onrust in en om het land. Het is alsof het land braakneigingen heeft en pas als Israël tot bekering komt, zal er vrede zijn. Dit even tussen haakjes)

Aan deze Babylonische ballingschap is een einde gekomen.

Er is een terugkeer en dan lezen we in de boeken van Ezra en Nehemia dat er een ongekende opwekking plaats vindt.

We lezen uit Nehemia 8:1-9:3 o.a. het volgende:

Toen nu de zevende maand aanbrak…kwam het gehele volk als één man bijeen..Men verzocht… het boek der wet van Mozes te halen… de priester Ezra… las op de eerste dag van de zevende maand…daaruit voor… van dat het licht werd tot de namiddag in tegenwoordigheid van de mannen en de vrouwen en van hen die het konden begrijpen. Het gehele volk hoorde aandachtig naar het boek der wet. Ezra opende het boek ten aanschouwen van het gehele volk..Zodra hij het boek opende, stond het gehele volk op… Het gehele volk antwoordde, terwijl het de handen omhoog hief: Amen,Amen! En zij knielden en bogen zich voor de Here neer met het gelaat ter aarde… Het volk stond op zijn plaats. Zij lazen uit het boek, uit de wet van God duidelijk voor.. Het gehele volk weende, toen het de woorden van de wet hoorde.

En op de tweede dag kwamen de familiehoofden van het gehele volk bijeen…om de woorden der wet te onderzoeken. Toen vonden zij…geschreven dat de Israëlieten op het feest in de zevende maand in loofhutten zouden wonen… De gehele gemeente…woonde in de loofhutten… Uit het boek der wet las men elke dag voor… De nakomelingen van Israel scheidden zich af van alle vreemdelingen.. Toen zij op hun plaats waren gaan staan, las men voor uit het boek der wet… een vierde deel van de dag en een ander vierde deel deden zij belijdenis en bogen zich neer voor de HERE hun God.

En dan de sleuteltekst in hoofdstuk 8: 18b

Zo hadden de Israëlieten niet gedaan sinds de dagen van Jozua. Er heerste dus zeer grote vreugde.”

In dit Bijbelgedeelte komt “het boek(der wet) zeven maal voor, de woorden (der wet) vijf maal. NB elf maal wordt er geschreven van het “gehele volk”.

Overzicht van deze drie opwekkingen:

Als we de volgende gegevens vergelijken dan zien we het stijgende niveau ervan tot een algehele terugkeer tot wat geschreven staat.

De eerste opwekking:

  • De opwekking gaat van de koning uit.

  • De tempel wordt gereinigd.

  • Het boek ontbreekt.

  • Een gebrekkig Pascha.

  • Priesters en Levieten op hun plaats.

  • Grote vreugde.

  • De opwekking voert terug tot Salomo.

De tweede opwekking:

  • De opwekking gaat van de koning uit.

  • De tempel wordt ook hersteld.

  • Het boek wordt benut.

  • Pascha naar de wet.

  • Ook koning, zangers en poortwachters op hun plaats

  • De opwekking voert terug tot Samuel.

De derde opwekking

  • De opwekking gaat van het volk uit.

  • De tempel wordt herbouwd.

  • Het boek staat centraal.

  • Het Loofhuttenfeest!

  • Het hele volk op zijn plaats.

  • Zeer grote vreugde.

  • De opwekking voert terug tot Jozua. (Jezus)

Dit alles kan geen toeval zijn.

Salomo: de koning aan wiens leven nogal wat aan te merken was.

Samuel: in zijn dagen was de Here koning, maar gaat het volk vragen om een koning zoals de heidenen die hebben.

Jozua: hij bracht het volk het beloofde land binnen was daarmee het type van

Jezus.

Met de opwekking onder Nehemia eindigt Israëls geschiedenis in hun land.

Deze opwekkingen wekken de verwachting dat God naar ditzelfde voorbeeld ook de gemeente door haar laatste grote opwekking geheel zal terugbrengen zal tot het boek, het Woord, Jezus. En dat die opwekking zal plaatsvinden voordat de gemeente haar geschiedenis op aarde eindigen zal.

We komen nu in de nieuwtestamentische geschiedenis van Israel.

En helaas, dan blijkt dat er nog een laatste, diepste en langdurigste afval plaats te vinden: de verwerping van de Messias.

En weer spuwt het beloofde land het volk uit!

Ballingschap.

De situatie, waarin het volk verkeert, wordt vergeleken met een dal vol dode doodsbeenderen. (Ezechiël 37)

En zie, de beenderen waren zeer dor.” (:3)

Dan spreekt God tot de profeet:

Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis van Israel. Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan”

Maar dan!!!

De Heer zegt:

Daarom profeteer en zeg tot hen: zo zegt de Here HERE: zie Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o, mijn volk en u brengen naar het land Israëls. En gij zult weten, dat Ik de Here ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o mijn volk. Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en Ik zal u doen wonen in uw land en gij zult weten dat Ik, de HERE het gesproken en gedaan heb.

Israel komt tot volheid. (Rom. 11:12) In vers 15 wordt dat onvoorstelbaar heerlijke gebeuren hun aanneming genoemd. Het zal niet anders wezen dan leven uit de doden!

Nu is het onderwerp van deze Bijbelstudie:

De gemeente in de eindtijd.

Hoe zal het de gemeente van Jezus Christus in de eindtijd vergaan?

Zal ook de geschiedenis van de gemeente eindigen in een opwekking of is er in deze eindtijd alleen afval en neergang te verwachten?

Voor die laatste verwachting zijn er wel een aantal Bijbelteksten te vinden. Die woorden schilderen een zo donkere toestand dat zij schijnbaar een tot herstel komen van de gemeente tegenspreken.

Paulus schrijft bijvoorbeeld in zijn brieven aan Timotheüs weinig optimistische woorden.

Maar evengoed is het waar, dat diezelfde Paulus in zijn brieven zijn verwachting uitspreekt dat de gemeente voor de terugkeer van Jezus nog een enorme bloeitijd gaat beleven.

Maar hoe is het nu? Gaan we in deze tijd van het einde bloei of dorheid in de gemeente meemaken?

Het een en het ander zal blijken waar te zijn.

We gaven aandacht aan het begrip volheid in Romeinen11: 12. En uiteraard is die volheid niet te verstaan als een getalsmatige, kwantitatieve volheid, maar als een kwalitatieve.

En we vragen ons af, of ook de gemeente zal komen tot die volheid.

In de brief aan de Efeziërs lezen we in het derde hoofdstuk dat Paulus zijn knieën buigt en bidt voor de gemeente. En dan besluit hij met de bede,dat de gelovigen vervuld zullen worden tot alle volheid Gods.

Nu zal de apostel niet hebben gebeden voor iets wat toch onbereikbaar is. Integendeel, in Efeze 4: 13-16 blijkt hij een geweldige verwachting te koesteren.

Grote aandacht vraagt het woordje “totdat”. Er blijkt in de geschiedenis van Gods gemeente een “”totdat” te zijn en ik citeer:

totdat wij allen de eenheid van het geloof en van de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. Dan zijn wij niet onmondig, o en neer, heen en weer geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende , in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus.

Drie tijdsbepalende woorden: totdat, dan en opnieuw dan.

De kerk geschiedenis leert dat er weliswaar opwekkingen voorkwamen, maar nooit een opwekking die beschouwd mag worden als een verhoring van dit gebed. Zo mogen we als gelovigen biddend wachten op dat grote totdat, die ons zal brengen de vervulling tot alle volheid Gods (3:19).

Nu wil ik graag aandacht vragen voor het begrip volheid, dat we vinden in Romeinen 11: 25:

Ik (Paulus)wil u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israel gekomen, totdat de volheid der heidenen ingaat en aldus zal gans Israel behouden worden, gelijk geschreven staat; de Verlosser zal uit Sion komen en de goddeloosheden van Jacob afwende.

Die volheid der heidenen, wat zal dat toch zijn?

Nu is er in de evangelische wereld in het algemeen het volgende antwoord gegeven:

Die volheid van de heidenen heeft te maken met het aantal gelovigen dat dan is toegebracht door de prediking van het evangelie.

Het zijn er genoeg en de Heer verschijnt in heerlijkheid om zijn gemeente thuis te halen. Dat laatste is dan de opname van de gemeente.

En zo gauw als die opname heeft plaatsgevonden gaat God de draad met het volk van Israel weer oppakken en wel op een bijzondere wijze, zodat het hele volk behouden zal worden.

Maar is dat wel de juiste uitleg van “de volheid der heidenen”?

Ik meen dat het goed is als we ons voor het juiste verstaan van deze volheid gaan naar het twaalfde vers.

We hebben ons daar al eerder mee bezig gehouden en we kwamen toen tot de conclusie, dat het begrip “volheid” niet te maken had met een volheid in aantal, maar veelmeer een volheid in kwaliteit, een geestelijke volheid.

Zo mogen we geloven dat “de volheid van de heidenen” niet wijst op het “volle aantal uitverkorenen uit de heidenen.”

Wie worden er hier eigenlijk bedoelt met de “heidenen’’?

Inderdaad de volken, uitgenomen Israel.

Gelovigen en ongelovigen. De gemeente en de mensen die niet tot de gemeente behoren..

En die volken (Naardense bijbel) komen tot volheid en dat in geestelijke zin.

Wat wil dat zeggen?

Het zal ons duidelijk zijn, dat wanneer de ongelovigen hun volheid bereiken, dat een zeer ongunstige betekenis zal hebben. Het vuile wordt nog vuiler en zij, die onrecht doen zullen nog meer in ongerechtigheid vervallen. Het is het tegengestelde van dat, waarom de gemeente bidt.

Maar wanneer dat deel van de heidenen, dat de Here Jezus als de Verlosser belijdt, tot volheid komt, zal dat de verhoring van de talloze gebeden van de gelovigen betekenen; o.a. de prachtige gebeden van Paulus in de Efeze en de Colossenzenbrief betekenen.

Voorlopig samenvattend:

Het ingaan van de volheid der heidenen zal betekenen én verval én opwekking.

Het is een exegese van Romeinen 11:25, die een wat andere is dan die we kennen in de evangelische wereld.

Maar het merkwaardige is, dat in de gereformeerde leer geen inzicht bestond voor het behouden worden van gans Israel, maar dat in de opwekking van de puriteinen dat inzicht toch weer terugkwam.

Zij verwachtten een grote opwekking in de heidenwereld in positieve zin die het herstel van Israel mee zou brengen en tegelijk een diep verval die de wereld zou doen rijpen voor het grote oordeel.

Later is die verwachting min of meer weggeëbt.

Zij waren geen premillenialisten en dat ook de landbelofte nog vervulling zou, vinden zag men niet.

Maar het verbaasde mij zeer, dat ook die puriteinen naar aanleiding van Rom. 11:25,26 de verwachting kenden van afval en opwekking voorafgaand aan de dag, dat de Heer verschijnen zal in heerlijkheid.

Er gaat een totdat aanbreken in de geschiedenis van de gemeente van Christus, zo bijzonder , dat er dan gesproken zal worden van volheid. Een volheid in de geestelijke betekenis van het woord. Je mag dat ook opwekking noemen, een ongekende bloeitijd in de gemeente van de Heer.

Die tijd zal zich kenmerken door een wonderbare eenheid onder de christenen, die ons zal doen terugdenken aan de dagen waarvan je kunt lezen in de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen.

Vast en zeker zullen Bijbelvorsers bij die volheid van de volken denken aan wat Paulus schreef aan de gemeente van Efeze.

We lezen daar in het 4de hoofdstuk vanaf vers 13 ook van een totdat.

totdat wij allen de eenheid van het geloof en de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de groei van de volheid van Christus……

Is dat totdat ooit in de kerkgeschiedenis aangebroken, of hebben we dat nog te verwachten? We lezen verder:

Dan zijn wij niet meer heen en weer geslingerd door allerlei wind van leer (met elke wind meewaaien met wat er maar verkondigd wordt NBV) door het valse spel van mensen in hun sluwheid, om tot dwaling te verleiden

MAAR dan groeien wij, terwijl wij ons in liefde aan de waarheid houden in alles toegroeien naar Hem, die het Hoofd is: Christus.

Welke christen zal er niet naar verlangen dat die eenheid en groei, die volheid en rijpheid in de gemeente gevonden zal worden.

Nu kun je natuurlijk opmerken dat door alle eeuwen heen apostelen, profeten, herders, evangelisten , herders en leraars aan de gemeente zijn gegeven om iedere christen te brengen tot volheid, groei, rijpheid, eenheid.

Maar helaas hebben we door de eeuwen heen weinig daarvan gezien.

Het leven van de gemeente van Christus was vaak en misschien wel nooit zo, dat de apostel Paulus zou hebben gezegd: Ja, dat stond mij voor ogen toen ik mijn knieën boog voor de Vader en Hem vroeg dat Hij de gemeente zou worden gesterkt door zijn Geest zo, dat de gelovigen geworteld en gegrond in de liefde in staat zouden zijn te begrijpen hoe groot de breedte de lengte, hoogte en diepte is en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven baat.”

Dat gebed is te lezen in Efeze 3:14-19.

Vooral de woorden “totdat” en “dan” in Efeze 4 vanaf vers 13 geven toch aanleiding uit te zien naar de tijd, dat Paulus prachtige gebeden door de Heer aan zijn gemeente zullen worden verhoord.

Je kunt je toch niet voorstellen dat Paulus in zijn bidden te hoog heeft gegrepen en bad om zegeningen die God niet van plan is die ooit aan zijn kinderen te geven.

Ik kom nu terug op de uitleg van Romeinen 11:25, 26. Een gedeeltelijke verharding is over Israel gekomen (en die ligt nog over dat volk) , maar die wordt eenmaal weggenomen. De vraag is wanneer. Welnu, schrijft Paulus, als de volheid van de heidenen binnengaat.

En we zagen dat die volheid twee kanten zal opgaan: bederf in de eindtijd en een glorietijd voor de gemeente.

Ik vermoed dat we straks zullen gaan meemaken dat de allerlaatste opwekking in de gemeente zal min of meer zal samenvallen met de allerlaatste opwekking van Israel, als de Geest van genade en gebeden over het volk zal worden uitgestort en de inwoners van Jeruzalem Hem zullen zien, die zij doorstoken hebben. (Zacharia 12:10-14)

  • Is het misschien zo, dat de gemeente tot volheid komt, als van die plasregens, die op Israel neerdalen, ook druppels neer zullen komen op de heidenen?

  • Is het misschien zo, dat het uitgieten van die druppels oorzaak zal zijn van én opwekking én verval? Zoals immers ook Jezus voor de één de vaste Rots van behoud is en voor de ander een steen des aanstoots.

Zien we die twee sporen van toenemende zonde en meer heiliging ook op andere plaatsen in de bijbel?

We verwezen al eerder naar Openbaring 22:11. Een zeer veelzeggend woord.

Trouwens heel het boek Openbaring laat overduidelijk zien, dat de eindtijd zich zal kenmerken door neergang en opgang.

Als koren en onkruid beide rijp zijn is “het uur om te maaien gekomen, want de oogst der aarde is geheel rijp geworden”. Openb. 14:14-19

Dat is de rijpheid van het koren én het onkruid, waarvan we lezen in Matteüs 13 vanaf vers 14.

Ook deze gelijkenis laat de betreffende opgang en neergang zien. Vóór de terugkeer van de Jezus Christus mogen we verwachten dat God in zijn grote genade door zijn Heilige Geest de gemeente zal brengen tot de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van Christus.; helemaal in overeenstemming met Efeze 4:13.

De zeven brieven.

Openbaring bevat woorden van profetie (:3). Zo worden de brieven die we vinden in hoofdstuk 3 en 4 door veel uitleggers gezien als een beknopte profetische kerkgeschiedenis.

En hoe loopt het af in die samenvatting? Is het werkelijk zo, dat het in de gemeente dan alleen kommer en kwel zal zijn, of is er blijde hoop aan te ontlenen? Het antwoord is het een en het ander.

Als we de beide hoofdstukken profetisch verstaan, dan zien we ook hier dat de geschiedenis van de gemeente zal eindigen met verval en met opwekking:

Laodicea en Filadelfia.

Filadelfia (broederliefde) vertegenwoordigt de gemeenten die in de eindtijd tot de oorspronkelijke zuiverheid en trouw zullen zijn teruggekeerd en als gemeente, die Christus lichaam is, in heerlijkheid zal worden opgenomen.

Laodicea vertegenwoordigt de gemeenten die Jezus Christus buiten de deur hebben gezet. De gemeenten van naam – christenen, die steeds verder verwijderd raken van de waarheid van de Schriften.

Het moet ons opvallen dat Openbaring die steeds bredere kloof tussen het vuile en het heilige laat zien.

We letten al op de eindtijdgemeenten in hoofdstuk 3, maar let ook op waar het reine en het verval op uit lopen:

  • de Bruid en de hoer

  • het Lam en het beest

  • het nieuwe Jeruzalem en Babylon.

  • Filadelfia en Laodicea

  • “Wie heilig is” en “wie vuil is”

en ongetwijfeld is er nog meer te noemen

Ook in het evangelie zien we dat uiteen lopen van goed en kwaad:

  • de wijze en de dwaze meisjes

  • de rijp geworden tarwe en het rijp geworden onkruid

  • de goede en de slechte vis in het sleepnet van Matteüs 13 vanaf vers 47. en (we herhalen) ongetwijfeld is er nog meer te vinden.

Nieuwtestamentische woorden, die het gemeenteherstel voorzeggen:

  • 2Cor.11:2 “om u als een reine maagd voor Christus te stellen”

  • Fil 1:10,11 “rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, vervuld van de vrucht der gerechtigheid”

  • 1 Thess. 3:13 “onberispelijk zijn in heiligheid…bij de komst van onze Here Jezus”

  • 1 Thess. 5:23 “Hij…heilige u geheel en al en geheel uw geest ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus in allen dele blijken onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept is getrouw; Hij zal het ook doen.

  • 1Cor. 1:8, 9 Hij zal u ook bevestigen ten einde toe, zodat gij onberispelijk zult zijn op de dag van onze Here Jezus Christus. God is getrouw!

  • Fil. 1:6 Hij, die in u een goed werk is begonnen, zal dit ten einde toe voortzetten, tot de dag van Jezus Christus.

Onze Heer schrijft vanuit de hemel door bemiddeling van Johannes briefjes aan zeven gemeenten in Klein-Azie, het tegenwoordige Turkije. We vinden die briefjes in Openbaring 2 en 3. Inderdaad, het zijn er zeven!

En het laatste bijbelboek is een profetisch boek.

Veel onderzoekers van de bijbelse profetieën zien in die zeven brieven een soort van samenvatting van de geschiedenis van de kerk\gemeente van af het pinksterfeest tot de terugkeer van Jezus.

En dan eindigt die geschiedenis met de gemeente van Philadelphia en Laodicea.

Het is duidelijk dat die laatste gemeente afvallig is. Zelfs de Heer zelf staat buiten.

De gemeente van Philadelphia wordt op geen enkele manier door de Here Jezus bestraft en is werkelijk de gemeente van opwekking.

( in een andere studie ga ik daar nader op in)

En pak nu je bijbel en lees die Philadelphia brief. Dan zie je dat er in het achtste vers gezegd wordt: Je hebt kleine kracht.

( de NBV vertaalt: je hebt weinig invloed)

Maar wat wil dat toch zeggen: kleine kracht? Betekent dat: jullie hebben maar weinig kracht van God, weinig kracht van de Geest?

Nee, natuurlijk niet. Een gemeente, die zo door de Heer wordt geprezen en in niets bestraft moet wel vol zijn van Gods Geest.

Maar wat dan met dat woord kleine kracht?

Dat kan natuurlijk niets anders betekenen dan zwakte. Maar dan wel bedenken dat de apostel Paulus getuigde: als ik zwak ben dan ben ik machtig!

Hij zei dat omdat de Heer hem gezegd had: Mijn genade is je genoeg, want de kracht openbaart zich pas ten volle in zwakheid.

Je kunt ook zeggen dat de kracht van God openbaar wordt in kleine kracht. Je kunt dat lezen in 2 Kor. 12:9.

Terug naar de gemeente van Philadelfia. Dat is de gemeente van de opwekking in de eindtijd. Zo is Laodicea de gemeente van de afval in de allerlaatste dagen.

Ja, die opwekking!

Als we goed nadenken over gelijkenis van de weduwe in Lukas 18 en het briefje aan Philadelfia, dan zie je toch sterke overeenkomsten.

Inderdaad, die zwakte, onaanzienlijk.

De Heiland vraagt in Lukas 18 Na de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter in vers 8b:

Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?

(het is aan te bevelen die gelijkenis te lezen in Lukas 18:1-9)

Als die vraag je gesteld wordt ben je geneigd om te antwoorden dat het geloof dan als Jezus terugkomt weinig zal voorstellen.

De vraag maakt ons niet optimistisch over de toestand in de gemeente als Christus komt in heerlijkheid.

Er zijn ook nogal wat gelovigen die uit die vraag opmaken dat we in ieder geval geen bloeitijd in de kerk\gemeente moeten verwachten.

Het wordt toch niks.

We blijven verdeeld, we blijven elkaar bestrijden en tenslotte zal Jezus verschijnen en die ruziënde christenen opnemen in de hemel. Dat is niet erg hoopvol en het is eigenlijk een verlammende gedachte.

En daarom de vraag: Wat bedoelt de Heiland met die vraag.? De vraag wordt heel dikwijls geciteerd, alsof er zou staan: Zal Ik nog geloof vinden?

Maar, pas op, dat zegt Jezus niet.

Hij vraagt: zal Ik nog het geloof vinden? Een andere vertaling zegt zal Ik nog dit geloof vinden?

Aha, het geloof, dit geloof!

Geloof zal er heus wel zijn, misschien wel in overvloed. Maar het geloof, zoals die weduwe bleef gaan, niet verslapte, volhardde.

Die weduwe geeft ons een beeld van de gemeente van God, zoals die zal zijn voor de komst van Jezus, terug op aarde.

Een biddende, volhardende, niet verslappende gemeente.

Maar we moeten er aan toevoegen dat de gemeente de gestalte zal kennen van de weduwe.

Niet in aanzien, voor de wereld onbetekenend, kleine kracht.

Kleine kracht, zwak, maar krachtig in de Heer, vol van de Heilige Geest.

Die vrouw telt maatschappelijk niet mee.

Zo zal ook de gemeente van het einde in de ogen van de wereld weinig betekenen. De wereld zal niet applaudisseren voor een gemeente van kleine kracht. Weinig invloed (NBV).

De wereld zal niet onder de indruk zijn van die revival.

De Geest van God zal zijn kracht laten zien in zwakheid.

We zullen wel een opwekking mogen verwachten, maar het zou wel eens een heel ander karakter kunnen hebben dan we ons nu voorstellen.

  1. 02/11/2009 at 12:00 | #1

    Een duidelijke uitleg. Beide vragen die ik had zijn opgelost. Het is dus een twee-sporen beleid als het ware.