Archief

Archive for juni 2009

Profetisch schema van Christus tot de eeuwigheid

 

De feesten van God

De nieuwe maan.

Een van de minder opvallende instellingen in de Bijbel is die van de

nieuwe maan. Deze wordt namelijk niet genoemd in Leviticus, maar alleen in

het boek Numeri. Iedere nieuwe maan moesten brand- en vredeoffers worden

gebracht, begeleid door trompetgeschal, dit diende om het volk bij God in

gedachtenis te brengen (Num 10:10, Ps 81:4). Er werden ook spijs- en

drankoffers gebracht (Num 28:11-14).

Directe richtlijnen om de nieuwe maan als een rustdag te vieren staan

er niet in de wet. Toch zijn er aanwijzingen dat het wel een bijzondere dag

voor het volk was. Als de Sunamitische vrouw naar Elisa wil gaan dan zegt

haar man: "Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan, noch

sabbat." (2 Kon 4:23). Een andere aanwijzing is Amos’ beschuldiging dat het

volk tijdens de nieuwe maan zuchtte dat het geen handel kon drijven

(Amos 8:5).

Typologisch is de maan het beeld van Israël. De maan geeft uit

zichzelf geen licht, maar weerkaatst het licht van de zon. Zo is de maan

het beeld van Israël dat het licht van God uitstraalt. Op dezelfde manier

geldt evenzeer dat de maan het beeld is van de gemeente die het licht van

Christus weergeeft.

De maan is niet iedere dag even helder, maar zij begint als een kleine

sikkel, die vlak na de zon opgaat en ondergaat. In eerste helft van de

maan-maand wordt de maan steeds voller tot zij halverwege de helderste

stand bereikt: volle maan. Daarna neemt haar grootte weer af en komt zij

ook steeds later op.

Dit proces van afwisselend veel en weinig licht reflecteren past

precies bij het beeld van Israël. De geestelijke toestand van het volk was

afwisselend goed en slecht. Goede koningen (David, Hizkia, Josia) werden

afgewisseld met slechte koningen en er waren zelfs koningen die goed

begonnen, maar met afgoderij eindigden (Salomo, Joas, Amasja).

Voor de gemeente is helaas geen betere beschrijving mogelijk. Na de

bekering van keizer Constantijn tot het Christendom onstond een sterke

vermenging van de kerk met het Romeinse rijk: het heilige Roomse rijk. In

de eeuwen daarna voerde de Rooms Katholieke kerk alleen heerschappij met

als dieptepunten verering van gestorven mensen, vervolging van Joden en

andersdenkenden en het aanbieden van vergeving van zonden door het kopen

van aflaten. In de diepste periode van duisternis begon het licht weer te

schijnen toen de Bijbel, met gevaar voor eigen leven, werd vertaald en

toen Luther zijn stellingen in 1517 verkondigde. In de tijd van de

Reformatie, die daarop volgde, ontstonden enerzijds bijbelgetrouwe

groeperingen terwijl de dwaalleer ook zijn intrede deed in de Protestantse

kerken.

Profetisch gezien duidt de nieuwe maan op de tijd dat de Here een

nieuw begin zal maken met Zijn volk en hen opnieuw zal gedenken. Een nieuwe

maan is immers een nieuw begin en het dient tot gedachtenis van God aan het

volk.

In het duizendjarig rijk zal dit nieuwe begin er zijn. Dan zal de

nieuwe maan, net als de sabbat, worden gebruikt als een dag om de Here te

aanbidden (Jes 66:23). De oostpoort van de binnenste voorhof zal dan worden

geopend en de vorst van Israël zal aanbidden op de drempel van deze poort

en het volk zal zich dan bij de ingang van deze poort voor de Here

neerbuigen (Ez 46:3).

Het Pascha

Het Pascha was een éénjarig lam. Dit kon zowel een ram als een

geitebok zijn (Ex 12). Eénjarig moeten we hier waarschijnlijk zien als in

het eerste levensjaar. De 10e Nissan moest het in huis worden genomen en op

de 14e worden geslacht. Op deze manier hechtten de Israëlieten zich meer

aan het dier en voelden ze meer van de pijn toen ze het dier slachtten. De

10e Nissan is waarschijnlijk ook de dag van de intocht van Christus in

Jeruzalem (Joh 12:1,12).

Overigens at de Heer het Pascha op de 14e Nissan (Luk 22:7-15) en

stierf één dag later, dus op de 15e Nissan. Opvallend is dat de priesters

het op de 15e aten (Joh 18:28). Misschien gebruikten zij een andere

kalender dan de Heer. De 1e Nissan kan namelijk samenvallen met nieuwe

maan, maar tegenwoordig is dat bij de Joden de dag ná nieuwe maan.

Dat het Paaslam Christus voorstelt is overduidelijk, want dit staat

letterlijk in 1 Kor 5:7. De Heer verlangde vurig het Pascha met de

discipelen te eten (Luk 22:15). Hij zal het pas opnieuw eten als het

Koninkrijk Gods gekomen is (Luk 22:16-19). In het 1000-jarig rijk zal het

dus opnieuw gevierd worden (Ez 45:21).

De Israëlieten moesten met een hysopstengel het bloed aan de

deurposten en de bovendorpel strijken. ’s Nachts zou de Heer door Egypte

trekken, en als Hij het bloed zag, dan zou Hij de verderver niet toestaan

om de eerstgeborene in het huis te doden (Ex 12, Hebr 11:28). De

Israëlieten scholen dus achter het bloed van het Paaslam.

Zo mogen ook wij schuilen achter het bloed van het Lam (1 Petr 1:19).

Zijn bloed is vergoten tot vergeving van zonden (Mat 26:28). Door Zijn

bloed zijn wij gekocht (Hand 20:28, Op 5:9). Door Zijn bloed zijn wij

gerechtvaardigd (Rom 5:9) en zijn wij verlost (Ef 1:7, Op 1:5). Dat bloed

reinigt ons van dode werken om de levende God te dienen (Hebr 9:14). Wij

mogen vrijmoedig ingaan in het heiligdom door het bloed van Jezus (Hebr

10:19). Zijn bloed reinigt ons van alle zonden (1 Joh 1:7).

De Israëlieten moesten jaarlijks het Pascha vieren als een gedenkdag

(Ex 12:14). Wat ze moesten gedenken staat in Ex 12:27. Het is een Paasoffer

voor de Heer die de Egyptenaren sloeg, maar aan de huizen van de

Israëlieten voorbijging. Zo mogen ook wij weten dat wij, omdat Christus ons

Pascha is geworden, niet veroordeeld worden (1 Kor 5:7, Joh 3:16).

Iedere vreemdeling in het land Israël mocht ook het Pascha vieren,

mits hij maar besneden was (Ex 12:48, Num 9:14). Als iemand onrein was of

ver weg, dan mocht hij het een maand later vieren, op de 14e van de tweede

maand (Num 9:11,12). Het Pascha werd gegeten met ongezuurde broden en

bittere kruiden. Ongezuurd, want Christus was zonder zonde. De bittere

kruiden spreken van Zijn lijden. Het Pascha moest op het vuur gebraden

worden en niet gekookt, omdat Christus het oordeel moest ondergaan: vuur

spreekt van oordeel (Hebr 10:27).

Het bloed moest met hysop op de deurposten gestreken worden. Hysop is

een beeld van ontzondiging. In Psalm 51:9 zegt David: Ontzondig mij met

hysop, dan ben ik rein, was mij, dan ben ik witter dan sneeuw. Mensen en

dingen die door aanraking met doden onrein geworden waren werden

besprenkeld met ontzondigingswater met behulp van hysop (Num 19:18). De

Heer Jezus kreeg aan het kruis zure wijn aangeboden. Deze zat gedrenkt in

een spons op een hysopstengel (Joh 19:28).

De Israëlieten trokken de 15e Nissan uit Egypte (Num 33:3). 40 jaar

later trokken ze de Jordaan over op de 10e Nissan (Jozua 14:10) en aten het

Pascha te Gilgal (Jozua 5:10). Het Pascha werd in Israël niet altijd even

correct gevierd. Koning Hizkia vierde het eens op een manier die sinds

Salomo niet gebeurd was (2 Kron 30:26). Later hield koning Josia het Pascha

op een wijze die sinds de richteren niet was voorgekomen (2 Kon 23:22).

Het Pascha moest in Jeruzalem geslacht en gegeten worden

(Deut 16:5,6). 3 maal per jaar moesten alle mannen opgaan naar Jeruzalem om

de 3 belangrijke feesten te vieren: het feest der ongezuurde broden, het

feest van de oogst (= het feest der weken) en het feest der inzameling (=

het loofhuttenfeest) aan het einde van het jaar (Ex 23:14-17, Deut 16:16).

Hun land zou dan veilig zijn (Ex 34:23). Het feit dat in 1973 Isra‰l

werd aangevallen tijdens de grote verzoendag geeft dus aan dat het land nu

niet Gods zegen kan ontvangen. Dat zal pas gebeuren als Isra‰l Jezus erkend

als de Messias, Gods Zoon (Hand 3:19,20). Als ze zich bekeren, dan zal

Jezus wederkomen op de aarde en ze zullen Hem herkennen die zij doorstoken

hebben (Zach 12:10, Joh 19:37, Op 1:7).

De Israëlieten mochten niet met lege handen voor het aangezicht van de

Heer verschijnen (Ex 23:15). Ze moesten de eerstelingen van alle vruchten

van het land meenemen (Deut 26:1-11) in manden en die aan de priester

geven. De priester zou dan de mand voor het altaar van de Here God

neerzetten.

Tijdens het feest der ongezuurde broden werd de eerstelingsgarve aan

de Here aangeboden (Lev 23:10,11). Dit was dan een korenschoof, het betrof

hier de gersteoogst. Tot die tijd mochten ze alleen brood eten van oud

koren. Tijdens het wekenfeest werden twee tarwebroden voor de Here bewogen

(Lev 23:15).

Het feest der ongezuurde broden.

Waarom ongezuurde broden? Zuurdesem stelt de zonde voor, hiervoor zijn

veel aanwijzingen in de Bijbel. De discipelen moesten zich wachten voor de

zuurdesem van de Farizeeën, dat is huichelarij (Luk 12:1). Ze moesten ook

oppassen voor de zuurdesem van Herodes (Mark 8:15). Dat is waarschijnlijk

de heerszucht, wereldgelijkvormigheid en tekenen en wonderen eisen

(Luk 23:12). De valse leer van de Farizeeën en Sadduceeën werd ook

zuurdesem genoemd (Mat 16:11,12). In Gal 5:9 wordt het zuurdesem in verband

gebracht met wetticisme!

In 1 Kor 5 worden slechtheid en boosheid zuurdeeg genoemd. In dit

zelfde hoofdstuk worden broeders, die in de zonde leven, vergeleken met

zuurdesem. Als zij niet uit hun midden werden weggedaan, zou de hele

gemeente van Korinthe zuur worden. Als wij in ons midden toelaten dat

mensen in zonde leven en aan het avondmaal zitten, dan worden wij ook

besmet met die zonde. Uiteindelijk zal niemand die zonde meer herkennen als

zonde.

In de gelijkenis van het Koninkrijk der hemelen wordt het Koninkrijk

vergeleken met een zuurdesem, welke een vrouw nam en in 3 maten meel

verborg tot het meel geheel gezuurd was. Dit is dus negatief bedoeld. De

uitleg is dat de gemeente wel zal groeien, maar dat de zonde er in flink

zal toenemen.

Onder zuurdesem kunnen we hier dus met name verstaan: huichelarij,

heerszucht, valse leer, wetticisme, slechtheid, boosheid en de zonden uit 1

Kor 5: hoererij, gierigheid, afgoderij, lasteren, dronkenschap en

oplichterij. Het is al erg als deze dingen voorkomen in de gemeente, maar

nog erger is het als deze dingen worden getolereerd en goedgepraat.

De Israëlieten moesten 7 dagen ongezuurde broden eten. Op de eerste

dag moesten ze reeds het zuurdeeg uit hun huizen wegdoen (Ex 12:15), en de

hele week mocht het niet in hun huizen gevonden worden (Ex 12:19).

Bij de instelling van het feest der ongezuurde broden werd gezegd dat

de Israëlieten dit moesten doen om al de dagen van hun leven te denken aan

de dag dat ze uit Egypte trokken (Deut 16:3). Op die dag (15 Nissan,

Num 33:3) vertrokken ze zo snel dat ze niet eens de gelegenheid hadden om

gezuurd brood te bakken en dus bakten ze toen ongezuurde koeken (Ex 12:19).

Iedere dag moesten de Israëlieten dus denken aan de dag van de

uittocht. Zo mogen wij dus iedere dag denken aan de dag van onze verlossing

van de zonde. Hierbij moeten we niet zozeer denken aan onze bekering, maar

vooral aan het lijden en sterven van de Heer Jezus op de 15e Nissan. Wij

mogen iedere eerste dag der week eten van de maaltijd des Heren. Dat doen

wij om aan Hem te denken (1 Kor 11:25). Iedere keer als wij dit doen

verkondigen we Zijn dood (1 Kor 11:26), met name aan de machten in de

hemelse gewesten (Ef 3:10). Blijkbaar wil God dat we iedere dag danken dat

de Heer Jezus voor onze zonden aan het kruis gestorven is (1 Kor 15:3) en

wordt Hij niet moe als we dat iedere dag opnieuw doen!

Het is vooral de gemeentelijke samenkomst die wordt vergeleken met het

feest der ongezuurde broden: Laten wij feest vieren met ongezuurd brood van

reinheid en waarheid (1 Kor 5:8). Wat doet de gemeente dan nog meer,

behalve de Heer groot maken? Een belangrijk aspect is het bekend maken van

de veelkleurige wijsheid van God aan de overheden en machten in de hemelse

gewesten (Ef 3:10). De gemeente is een koninklijk priesterschap om de grote

daden te verkondigen van Hem die haar uit de duisternis geroepen heeft

(1 Petr 2:9).

De eerste dag van de ongezuurde broden was de 15e Nissan (Abib), de

dag na het Pascha (Lev 23:6, Num 28:17). Zowel de 15e als de 21e Nissan was

een rustdag met een heilige samenkomst (Lev 23:7-8, Num 28:18,25). Geen

slaafse arbeid, want wij zijn verlost uit de slavernij der zonde

(Rom 6:20-22). Ongezuurde broden, want Christus was en is zonder zonde

(1 Petr 1:19). Hij heeft Gods werk tot het einde toe volmaakt volbracht.

De eerstelingengarve

Op de eerste dag na de sabbat van het feest der ongezuurde broden

moesten de Israëlieten de eerste schoof van de oogst naar de priester

brengen (Lev 23:10-14) als beweegoffer voor de Here. Dit offer ging gepaard

met een eenjarig lam als brandoffer, 2/10 fijn meel met olie als spijs- en

vuuroffer en 1/4 hin wijn als plengoffer. Tot die tijd mochten ze geen vers

koren en ook geen brood van vers koren eten. Het betrof de eerste

korenoogst, d.w.z. de gersteoogst. De tarweoogst was later (Ex 9:31,32).

Voor de Israëlieten betekende dit dat het eerste van de oogst voor de

Here was. Ook de eerstelingen van de andere vruchten en eerstgeborenen van

de dieren waren voor de Here. De Here kwam op de eerste plaats. Ook voor

ons moet nog steeds gelden dat de Here op de eerste plaats komt. Geven wij

Hem de plaats die Hij toekomt?

Typologisch gezien duidt dit beweegoffer overduidelijk op Christus. Op

de eerste dag der week, direct na het Pascha, stond Hij op uit de doden

(Mark 16:9), als de Eersteling (1 Kor 15:20).

Het gerst duidt op Christus. Bij de wonderbare spijziging werd

gerstebrood uitgedeeld (Joh 6:9,13). Als het volk daarna opnieuw Christus

opzoekt dan zegt Hij: "Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de

spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen

ulieden geven zal; want Dezen heeft God de Vader verzegeld". Ook spreekt

Christus in dit hoofdstuk steeds over de opwekking uit de doden (vs 40, 44

en 54).

Een zondoffer was niet nodig bij dit beweegoffer, want alles spreekt

van Christus, wiens offer was aangenomen en die was opgewekt uit de doden.

Tijdens ons christelijk Pasen herdenken wij de opstanding van Christus uit

de doden. Ons Paasfeest hoort dus eigenlijk niet bij het Joodse Pasen, maar

bij de aanbieding van de eerstelingengarf. De correcte naam voor Goede

Vrijdag is dus eigenlijk: Pasen en voor Pasen: Opstandings dag

Het Wekenfeest

Dit wordt ook wel het dag der eerstelingen (Num 28:26) en het feest

van de oogst (Ex 23:16) genoemd, ditmaal betreft het de eerstelingen van de

tarweoogst: Het feest der weken zult gij ook houden, zijnde het feest der

eerstelingen van den tarweoogst, en het feest der inzameling, als het jaar

om is (Ex 34:22).

Precies 7 weken nadat de eerstelingengarf aan de Here geofferd werd was

het feest der weken (lev 23:15-22). Dat was dus weer op een zondag! Als

spijsoffer werden 2 beweegbroden aangeboden, gemaakt uit 2/10 efa fijn

tarwemeel. Tevens werden als brandoffer 7 eenjarige lammeren, een jonge

stier en 2 rammen geofferd, met bijbehorende spijsoffers en plengoffers.

Als zondoffer werd een geitebok geofferd en als vredeoffer 2 eenjarige

lammeren. De dag was een verplichte rustdag.

Het wekenfeest was een van de drie feesten, waarop alle mannen naar

Jeruzalem moesten gaan (Ex 23:14-17, Deut 16:16,17). Zij namen dan vaak de

eerstelingen van hun oogst mee in een mand. Deze gaven ze dan af aan een

priester, die haar dan voor het altaar neerzette (Ex 23:19, Deut 26:2-4).

Tijdens het wekenfeest betrof het dan de eerste tarweoogst.

Het is heel bijzonder dat de broden gezuurd moesten worden gebakken,

want in principe moesten spijsoffers bestaan uit ongezuurd brood

(Lev 2:11). Zuurdeeg spreekt namelijk van zonde, zoals we gezien hebben bij

de bespreking van het feest der ongezuurde broden. En omdat de meeste

offers van Christus spreken moeten die spijsoffers bestaan uit ongezuurd

brood. Het feit dat het hier gezuurde broden betreft geeft dus aan dat deze

broden iets anders voorstellen, namelijk de gemeente. De werking van het

zuurdeeg is echter tot stilstand gekomen door het bakken van het brood.

Voor dit bakken was vuur nodig: het oordeel dat Christus voor ons gedragen

heeft. Daarom was er bij dit offer ook een zondoffer nodig.

De gemeente wordt hier voorgesteld d.m.v. twee broden. Deze stellen

Israël en de Heidenen voor, deze twee zijn door het werk van de Heer Jezus

één geworden (Ef 2:14-16). Paulus stelt dit in Rom 11 zo voor dat van de

edele olijf Israël takken zijn afgebroken en dat op die plaats takken van

de wilde olijf, de Heidenen, zijn ge-ent. De gelovige Joden vormen dus samen

met de gelovige Heidenen de Gemeente.

Het betrof hier ook twee tarwebroden. De tarweoogst spreekt van de

oogst vanaf Christus tot zijn wederkomst: de tarwekorrel zal van het kaf

worden gescheiden (Mat 3:10), de tarwe en het onkruid groeien tot de

eindtijd tezamen op (Mat 13:24-30).

Het feest is dus een duidelijke heenwijzing naar de Pinksterdag,

waarop de Heilige Geest werd uitgestort, de dag waarop 3000 mensen zich

bekeerden op de toespraak van Petrus (Hand 2:41). Zij waren de eerstelingen

van de grote oogst, de eerste bekeerlingen werden toen aan het lichaam van

Christus toegevoegd. Dit gebeurde dus exact op de dag dat het wekenfeest

werd gevierd. Het zou dus logisch zijn als het Christelijk Pinksterfeest

zou samenvallen met het Joodse wekenfeest. Helaas gebeurt dit zelden, want

de Joden vieren nu het wekenfeest 7 weken na Pascha, i.p.v. na de

aanbieding van de eerstelingengarf.

De uitstorting van de Heilige Geest ging overigens gepaard met tongen

van vuur boven de discipelen. Vuur spreekt namelijk van oordeel (Mat 3:10,

13:40). Door de val van de Joden is het heil ook tot de Heidenen gekomen

(Rom 11:11,12). Hoeveel te meer zal de bekering van de Joden dan niet een

rijkdom voor de wereld beteken (Rom 11:14). Dat zullen we merken bij de

laatste feesten.

Opvallend is dat bij de instelling van het oogstfeest wordt vermeld

dat de rand van het veld niet afgemaaid mag worden en dat wat is blijven

liggen niet opgelezen mag worden; het is voor de arme en vreemdeling

(Lev 23:22). Deze nalezing van de oost verwijst naar de oogst die plaats

vindt na de opname van de Gemeente. Dan zal er nog een oogst plaats vinden:

de schare die niemand tellen kan (Op 7:9) en het overblijfsel van Israël

Het Bazuinenfeest

Dit feest wordt beschreven in Lev 23:24-25 en in Num 29:1-7. In Lev

staat vermeld dat het een rustdag is met een heilige samenkomst,

aangekondigd door bazuingeschal. Verder werden er op deze dag brand- en

spijsoffers gebracht en een bok als zondoffer.

Het was een jubeldag staat er in het NBG (Num 29:3). Een dag van

trompetgeschal staat er eigenlijk in het Hebreeuws. Wat er te vieren was

staat er niet, er was ook niets om te gedenken. Tegenwoordig vieren de

Joden dit feest als het Joodse nieuwjaar, terwijl Nissan de eerste maand

is! Het kerkelijk jaar scheelt dus 6 maanden met het burgelijk jaar.

Het doel van het feest was eigenlijk verborgen. Het was dan ook het

5e feest. 5 is het getal van de verborgenheid. We leven nu in de 5e

bedeling, die van de genadetijd en de gemeente. De gemeente begon op het

wekenfeest. Deze periode zal eindigen met de opname van de gemeente, dat is

de profetische betekenis van dit feest. Er moest op dit feest een stoot op

de bazuinen worden gegeven, dit heeft als betekenis verzamelen.

Er waren twee trompetten. Het verzamelen zal straks ook tweevoudig

zijn. Ten eerste wordt de gemeente in de hemel opgenomen (1 Thes 4:16,17, 1

Kor 15:51,52). Ten tweede dient het bazuingeschal voor het verzamelen van

Israël in het land (Jes 27:13). Daar zien we nu reeds een voorvervulling

van.

Het feest viel eigenlijk samen met het 7e nieuwe maanfeest (Num

10:10). Dat feest diende om God aan het volk te doen denken. Zo zal God

straks opnieuw aan Zijn volk denken en Zijn plan met Israël tot een einde

brengen. Tenslotte zal de wereld in het 1000-jarig rijk vanuit Jeruzalem

bestuurd worden.

NB: Voor het bazuinen werden speciaal 2 zilveren trompetten gemaakt (Num

10:2). Een stoot op beide trompetten diende voor het samenroepen van de

gemeente, dat is het verzamelen van de gehele vergadering in de woestijn

bij de ingang van de tabernakel (Num 10:3,7). Een uitgebreid signaal moet

worden geblazen als de legerplaatsen moesten opbreken (Num 10:5,6) en later

in het land Israël als de legers voor de strijd moesten verzamelen (Num

10:9). Zowel het blazen als het stoten diende er voor om het volk bij de

Here in gedachtenis te doen brengen (Num 10:9,10).

Bij de feesten moesten een stoot op de trompetten worden gegeven bij

de brand- en vrede offers, dus ook bij dit feest.

De grote verzoendag

Op de 10e van de zevende maand moest de grote verzoendag worden

gehouden (Lev 16, 23:27-32, Num 29:7-11). Op deze dag moesten ze zich

verootmoedigen, een heilige samenkomst hebben en een vuuroffer brengen (Lev

23:7). Het brandoffer betrof een jonge stier, een ram en 7 eenjarige

schapen (Num 29:8).

Slechts éénmaal per jaar mocht de Hogepriester verschijnen in het

heilige der heiligen binnen het voorhangsel (Lev 16:2). Daarin stond de

Ark, met daarop het verzoendeksel (Ex 26:34). De Here zou dan verschijnen

in een wolk boven het verzoendeksel (Lev 16:2).

In Lev 16 en Hebr 9 staat uitgebreid beschreven welke zoenoffers de

hogepriester moest brengen: eerst een jonge stier als zondoffer en een ram

als brandoffer (Lev 16:3). De stier diende voor verzoening over de

hogepriester en zijn huis (Lev 16:6,11). Vervolgens moest hij gloeiende

kolen van het altaar in het heilige der heiligen brengen en op die kolen

fijn reukwerk en daarna het verzoendeksel 1 x en voor het verzoendeksel 7 x

besprenkelen met het bloed van de stier (Lev 16:12-14).

Van het volk moest de hogepriester 2 bokken als zondoffer en een ram

als brandoffer nemen (Lev 16:5). E‚n bok moest worden geslacht. Zijn bloed

moest ook binnen het voorhangsel worden gebracht en net zo worden gebruikt

ter besprenkeling als het bloed van de stier (Lev 16:15). Zo werd

verzoening gedaan over de zonden en onreinheden van de Israëlieten (Lev

16:16). Met het lot werd bepaald welke bok geslacht zou worden. Eén bok

voor de Here en één voor Azazel(Lev 16:8). Azazel is een samentrekking van

de woorden Aze (geit) en Azal (vertrekken). Dus we moeten "voor Azazel"

waarschijnlijk lezen als "als vertrekbok".

Opmerkelijk is dat in Hebr 9:7 staat "voor de zonden in onwetendheid

bedreven". Voor de overige zonden was namelijk al steeds een zondoffer

nodig. Zo dienen ook wij, als wij ons bewust worden van een zonde, deze zo

snel mogelijk te belijden en God zal die dan vergeven op grond van het

bloed van Christus (1 Joh 1:7,9). Maar hoeveel zonden vergeten wij niet te

belijden. Daar is Christus ook voor gestorven! Toch mogen we niet vergeten

dat, als wij onze zonden niet willen belijden, deze tussen God en ons

instaan, zodat onze gebeden belemmerd worden (Ps 66:18). Als wij in de

zonde leven dan wil God zelfs geen gemeenschap met ons hebben aan het

avondmaal (1 Kor 5:11).

Wanneer de hogepriester klaar was met de verzoening van het heiligdom,

de tabernakel en het altaar, dan moest hij de andere bok nemen. Vervolgens

moest hij alle zonden van de Isra‰lieten belijden, die op de kop van de bok

leggen en de bok de woestijn in laten sturen. Zo werden de zonden gedragen

naar een onvruchtbaar land (Lev 16:20-22). Onvruchtbaar, d.w.z. ze hebben

de dood niet meer tot gevolg maar we ontvangen als genade het eeuwige

leven in Christus (Rom 6:23).

De grote verzoendag is dus een voorafschaduwing van het grote

verzoenwerk van de Heer Jezus, die in het hemelse heiligdom gegaan is met

Zijn eigen bloed om zo voor ons een eeuwige verzoening teweeg te brengen

(Hebr 9:11,12). De aardse tabernakel was een afbeelding van de hemelse

(Hebr 8:5, 9:24)!

Typologisch spreekt de grote verzoendag dus van het verzoeningswerk

van de Heer Jezus. Profetisch is er nog een (toekomstige) gebeurtenis aan

te wijzen. Deze aanwijzing vinden we in Lev 25:8-16. Eens in de 49 jaar, op

het jaar na het sabbatsjaar, moest er op de grote verzoendag op de bazuin

worden geblazen, want dan breekt het jubeljaar aan. Op die dag mocht

iedereen terugkeren naar zijn bezittingen die hij vroeger had verkocht. Dit

duit op het moment dat de Heer Jezus zal terugkomen om Zich met Zijn volk

te verzoenen en hun hun land weer terug te geven.

Maar daar moet wel iets aan vooraf gaan. Het feest moest beginnen met

verootmoediging (Lev 23:27). Dit is een verwijzing naar de verootmoediging,

die beschreven is in Zach 12:10 "Zij zullen hem aanschouwen, die zij

doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht

over een enig kind". Maar deze spijtbetuiging zal dan resulteren in de

verlossing van Israël (Zach 12:8).

Het loofhuttenfeest.

Het loofhuttenfeest moest worden gevierd van de 15e t/m de 22 van de

zevende maand (Lev 23:34-43). Op de eerste dag van het feest moest er rust

zijn (Lev 23:36,39). Het wordt ook wel het feest der inzameling genoemd,

aan het einde van het jaar (Ex 23:16, 34:22).

Nu doet zich dus het merkwaardige feit voor dat de maand Nissan de

eerste maand van het jaar is, terwijl in de zevende maand de jaarwisseling

plaats vindt (Ex 34:22). De Joden hebben dit opgelost door op de eerste van

de zevende maand het Joodse nieuwjaar te vieren.

De Israëlieten moesten takken nemen van palmen, loofbomen en

beekwilgen (Lev 23:40), olijfbomen, olijfwilgen en mirten (Neh 8:14) om

hutten te maken. Daar moesten zij zeven dagen in wonen, opdat hun

geslachten zouden weten dat de Here hen in loofhutten heeft doen wonen,

toen ze uit het land Egypte trokken (Ex 23:43). In de NBG staat ‘hutten’,

maar hier wordt in het Hebreeuws hetzelfde woord gebruikt dat elders in dit

hoofdstuk met ‘loofhutten’ wordt vertaald. Overigens woonden ze later in de

woestijn in tenten (Hos 12:10). Waar het om gaat is dat ze moesten gedenken

dat ze een dak boven hun hoofd hadden in de woestijn.

Het loofhuttenfeest had ook nog een andere functie. Eens per 7 jaar,

in het sabbatsjaar (Lev 25:1-7, Deut 15:9), moesten ze het land braak laten

liggen (Ex 23:11, Lev 25:4-7). Ze mochten niet inzamelen en niet snoeien.

Wel mocht de opbrengst van het land direct gegeten worden, maar dan ook

door de knechten, vreemdelingen en het vee. Het zesde jaar zou dan een

oogst voor 3 jaar voortbrengen (Lev 25:21). In het achtste jaar mochten ze

zaaien, maar tot die oogst gereed was moesten ze van de oogst van het zesde

jaar leven (Lev 25:22).

Hierdoor hadden de Israëlieten dus tijd over. Deze tijd werd dan

tijdens het loofhuttenfeest benut door in Jeruzalem bijeen te komen om zich

de wet te laten voorlezen. En dit weer met als doel om de Here God te

vrezen (Deut 31:9-13).

De sabbatsjaren hebben ze niet goed gehouden (Jer 34:14). Als straf

was reeds in Lev 26:34,35,43 aangekondigd, dat, als ze bleven volharden in

het niet houden van de wet, het land verwoest zou blijven liggen totdat het

zijn sabbatsjaren vergoed zou krijgen. Dit sloeg op de Babylonische

ballingschap (2 Kon 36:21, Jer 25:11, 29:10).

Het zevende jaar had nog een functie: de slaven moesten worden

vrijgelaten, met een toegift (Deut 15:12,13) en leningen aan broeders

moesten worden kwijtgescholden (Deut 15:2). Daarom wordt het sabbatsjaar

ook wel het jaar der kwijtschelding genoemd (Deut 31:10).

Zijn dit niet allemaal prachtige heenwijzingen naar het vrederijk;

iedereen zal dan weer vrij zijn, geen slavernij, geen schulden

(Jes 65:21-25). Het loofhuttenfeest is een heenwijzing naar het 1000-jarig

rijk. Dan zal dit feest weer opnieuw gevierd worden en niet alleen door de

Joden, maar door de hele wereld (Zach 14:16-19). De volken moeten dan

jaarlijks optrekken naar Jeruzalem om dit feest te vieren en zich voor de

Here neer te buigen.

De Israëlieten moesten vrolijk zijn (Lev 23:40, Deut 16:15). In het

1000-jarig rijk zal het ook vrolijk zijn (Sef 3:14). Ook wij mogen ons

verheugen dat we de zaligheid der zielen bereikt hebben (1 Petr 1:8,9). Wij

hebben een hemels vaderhuis met vele woningen (Joh 14:2).

Feesten en hoogtijdagen

Pascha – Goede Vrijdag

Kruisiging v Christus

 

Ongezuurde broden – Avondmaal

Christus zonder zonden

 

Eerstelingengarf – Pasen

Christus als eerste opgestaan

 

Wekenfeest – Pinksteren

Eerstelingen (de Gemeente)

 

Bazuinenfeest

Opname van de gemeente.

Israël vergaderd

 

Grote Verzoendag

Wederkomst van Christus

Israel hersteld

 

Loofhuttenfeest

1000-jarig rijk

Samenvatting

Pascha:

Doel: Een gedenkdag en Paasoffer voor de Here die de Egyptenaren

sloeg, maar aan hun huizen voorbij ging.

Profetisch: Christus die aan het kruis stierf en zijn bloed stortte.

Typologisch: Het bloed van Christus, waardoor wij niet in het oordeel

komen.

Praktisch: Wij danken de Heer dat wij niet verloren gaan door de

storting van zijn bloed.

Ongezuurde broden:

Doel: Om al de dagen van hun leven te denken aan de dag dat ze uit

Egypte trokken (15 Nissan).

Profetisch: Christus die aan het kruis stierf en ons reinigde van alle

zonden.

Typologisch: De hele Christus (Hoofd en gemeente) zonder zonde.

Praktisch: Wij danken alle dagen van ons leven de Heer, voor wat het

Hem heeft gekost om ons te reinigen van alle zonden.

Eerstelingengarf:

Doel: Beweegoffer voor de Here van eerste korenschoof (gerst) op

eerste zondag na Pascha. Pas na dit offer mochten ze brood

eten dat van vers koren gemaakt was.

Profet/Typol: Christus als eersteling uit de doden opgestaan op zondag.

Praktisch: Wij loven de Heer dat Hij is gestorven en opgestaan,

waardoor wij weten dat ook wij uit de doden zullen opstaan.

Wekenfeest:

Doel: Het aanbieden van twee gezuurde beweegbroden (tarwe) op de

achtste zondag na Pascha. Het aanbieden van de eerstelingen

van de oogst in manden aan de priesters.

Profet/Typol: Uitstorting van de Heilige Geest en het ontstaan van de

(eerstelingen van de) gemeente.

Praktisch: Wij moeten ons laten leiden door de Heilige Geest en

meewerken aan het oogsten, d.w.z. evangeliseren.

Bazuinenfeest:

Doel: Een dag van bazuingeschal.

Profet/Typol: Opname van de gemeente en verzameling van de Isra‰lieten in

het beloofde land.

Praktisch: Wij mogen iedere dag wachten op de wederkomst van Christus

om ons te halen.

Grote verzoendag:

Doel: Verootmoediging en het brengen van een zoenoffer voor alle

zonden van het volk.

Profetisch: Het volk verootmoedigt zich en Christus keert terug om het

land aan Isra‰l terug te geven.

Typologisch: Christus brengt zijn bloed in hemels heiligdom teneinde een

eeuwige verlossing tot stand te brengen. De weg naar het

heiligdom ligt open.

Praktisch: Wij mogen danken voor de eeuwige verzoening door het bloed

van Christus. Wij mogen altijd en op iedere plaats tot God

komen en Hem aanbidden en tot Hem bidden.

Loofhuttenfeest:

Doel: Herdenken dat ze in de woestijn in tenten (loofhutten?)

woonden. Lezing van de wet eens in de 7 jaar.

Profetisch: Het 1000-jarig vrederijk.

Typologisch: Christus heeft voor ons eeuwige woningen verworven.

Praktisch: Danken voor de hemelse zegeningen, nu en straks.